Struktuur en genese, 1989 (vol.2)

Struktuur en genese, 1989 (vol.2)

Inhoudsopgave
Ewald Vervaet, Diagnostiek vanuit de zelfkennistheorie, p.3-11.
Ewald Vervaet, Kennisverwerving over gangbare grenzen, p.12-20.
Ewald Vervaet, Problemen bij onderzoek naar seksueel misbruik van peuters en kleuters, p.21-24.
Ed Brand, De ontdekking van aardolie, p.25-28.
Ewald Vervaet, Theorie: fundament noch dak, maar vloer en plafond, p.29-31.
Ewald Vervaet, Kennisjagers en hun bondgenoten, p.31-34.

—————

Samenvatting van ‘Diagnostiek vanuit de zelfkennistheorie’:
Een goed psychotherapeutisch diagnostisch systeem is direct van belang voor het psychotherapeutische proces zelf. Deze kwestie wordt in concreto behandeld vanuit Vervaets zelfkennistheorie (van zijn proefschrift Strukturalistische verkenningen in kennisleer en persoonlijkheidsleer), en wel voor een jongeman van 27, Fred genoemd.
Fred meent dat hij over een jaar of vijf een wereldberoemde popster en regisseur zal zijn, en dat terwijl hij nog nauwelijks kan dansen, zingen en filmen. Op basis van de wijze waarop hij zijn zelfkennis struktureert, kunnen we vanuit de zelfkennistheorie stellen dat bij hem de zogeheten eigenaardigheidsfase en psychosomatische fase, die zich rond negen, tien jaar respectievelijk rond een jaar of elf voor het eerst manifesteren, met elkaar een kortgesloten systeem vormen. Het feit dat hij bijvoorbeeld denkt dat nog wel eens een Oscar zal winnen en zich naar Mattheüs 22:14 uitverkoren voelt terwijl de meeste mensen slechts geroepen zouden zijn, zijn uitingen van het eigenaardigheidszelfgevoel van de eigenaardigheidsfase. Verder zijn voornoemde verwijzing naar de bijbel en zijn talloze citaten uit popliedjes uitingen van de analogieën van de psychosomatische fase.
In de rechtgroei van zelfkennis komen analogieën en andere operaties van de psychosomatische fase voort uit het eigenaardigheidszelfgevoel en andere operaties van de eigenaardigheidsfase, zonder dat ze met elkaar een systeem vormen. Bij Fred ligt dat anders: zijn eigenaardigheidszelfgevoel en analogieën zijn juist met elkaar vergroeid tot een op zichzelf staand systeem. Die vergroeiing komt vooral tot uiting in het feit dat hij zijn gevoelens van teleurstelling bij vergeefse pogingen om zijn droom te realiseren, dus in de sfeer van zijn eigenaardigheidszelfgevoel, weergeeft met analogieën die aan de pop- en filmwereld zijn ontleend. Zo verwijst hij naar aanleiding van een mogelijke helpster die zonder afzegging niet op een afspraak komt, naar een nummer van popzanger Robert Cray: ‘Die heeft ook een nummer: die heeft een date en die komt niet. Hij heeft al twee glazen wijn staan en zijn kaarsen gaan uit’. Fred heeft echter geen aandacht voor de teleurstelling waar de zanger over zingt, maar voor het feit dat Cray popzanger is. Hij vervolgt namelijk met ‘Nou, dat is fantastisch om mee te maken, omdat: ik wil dat ook, hè, dat zingen’.
Zo is de cirkel rond: Fred identificeert zich met de zanger; dat draagt bij aan zijn irreële eigenaardigheidszelfgevoel; daarom blijft hij voortdurend op teleurstelllingen stoten; de gevoelens daarbij geeft hij telkens weer met analogieën die naar de pop- en filmwereld verwijzen; dat voedt zijn scheefgegroeide eigenaardigheidszelfgevoel; enzovoort.
Hoe kan deze vicieuze cirkel worden doorbroken? Het antwoord is: door aan te sluiten bij de eerste van de twee met elkaar vergroeide fasen, in dit geval bij de eigenaardigheidsfase. Daarin zijn vergelijkingen in plaats van analogieën aan de orde. Vandaar dat ik hem het plukken van koffiebonen in Nicaragua laat vergelijken met het plukken van sperciebonen in Friesland als hij zelf het eerste wil doen en zijn moeder te kennen geeft dat ze liever zou zien dat hij het tweede zou doen. Hij vindt dat een leuke opdracht en gaat er eens goed voor zitten. Op die manier neemt zijn uit de kluiten gewassen eigenaardigheidszelfgevoel dat alsmaar door analogieën wordt opgelierd, langzaam maar zeker af. Op een gegeven ogenblik laat hij zich ontvallen: ‘Onderaan beginnen heeft ook wel wat’, hetgeen een heel andere doelstelling is dan zonder filmervaring binnen vijf jaar een Oscar winnen…

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan info@stichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘Kennisverwerving over gangbare grenzen’:
Bespreking van Three cultures (E. Fox Keller, P. Gay, E.H. Gombrich en anderen, 1989).
Interdisciplinaire onderzoekers komen aan het woord, zoals Peter Gay en zijn synthese tussen geschiedenis en psychoanalyse, Ernst Gombrich en zijn synthese tussen de kunstgeschiedenis en de bewegingswetenschappen. Het blijkt dat deze en andere vormen van interdisciplinair onderzoek niet zomaar willekeurige combinaties zijn maar voortvloeiden uit een merkwaardig verschijnsel in het ene vak, dat men slechts meende te kunnen verklaren met theorieën en vondsten uit het andere vak. Zo vond Gay het merkwaardig dat twee belangrijke Freud-biografen geen verband legden tussen maatschappelijke ontwikkelingen en Freuds wetenschappelijke ontwikkeling – als historicus kon Gay zelf deze leemte vullen. En Gombrich haalde het bewegen in zijn kunsthistorische beschouwingen omdat hij bepaalde lacunes tegenkwam vanuit de nadruk op de waarnemingspsychologie waarmee hij was opgeleid.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan info@stichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘Problemen bij onderzoek naar seksueel misbruik van peuters en kleuters’:
Vertaling van de lezing op The third cross channel conference on forensic medicine te Antwerpen, 13-15 april 1989.
Mede naar aanleiding van de zaak De Bolderkar worden in verband met het onderwerp ‘seksueel misbruik van kinderen’ twee onderwerpen aangesneden: de denkstruktuur van kinderen jonger dan een jaar of zeven en epistemologische en methodologische overwegingen daarbij. De voornaamse conclusies luiden:
a. De zogeheten poppenmethode kan bij het aantonen dan wel uitsluiten van het vermoeden van seksueel misbruik een rol spelen.
b. Bij kinderen jonger dan zeven is de levensechtheid van onderzoekspoppen van weinig of geen belang vanwege de ontwikkeling van het lichaamsbesef: pas rond zeven, acht jaar krijgt het lichaam voor het kind zelf een louter anatomische betekenis. Kinderen van drie jaar bijvoorbeeld tekenen zichzelf ‘ondersteboven’, omdat ze de wereld, met inbegrip van hun eigen lichaam, vanuit hun oogpositie ordenen en nog niet vanuit een ondergrond buiten hen (vloer, gazon, straat). En kinderen van vijf, zes jaar tekenen zichzelf vertekend omdat de verschillende lichaamsdelen meer een persoonlijke dan anatomische betekenis hebben. Zo tekent een graag kleurende en knippende kleuter zichzelf met te grote armen en handen, terwijl een graag rennende en fietsende kleuter dat met te grote benen en voeten doet.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan info@stichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘De ontdekking van aardolie’:
De ontdekking van aardolie is volgens de stappen van de onderzoekscyclus gegaan: vanuit wat men meent te weten doet zich een onbegrepen verschijnsel voor, de ‘verrassing’; hiervoor werpt men een vermoeden op, de ‘verklaringspoging’; dit vermoeden trekt men na, de ‘verankering’; bij gebleken houdbaarheid gaat de verklaringspoging als nieuw achtergrondkader fungeren; vroeg of laat doet zich ten opzichte daarvan weer een ‘verrassing’ voor; enzovoort. In de mate dat men over ‘verankerde kennis’ beschikt, kan men die aanwenden in praktische toepassingen.
De oerverrassing in verband met aardolie gaat terug naar ‘spontane’ branden in gebieden die nu als olierijk bekend staan. Hoogstwaarschijnlijk zijn op die manier Sodom en Gomorra in de as gelegd: olie die door breukvlakken in de aardkorst naar boven was gedrongen, vatte vlam door blikseminslag. De toenmalige verklaring daarvoor was dat God deze steden strafte – dat is een ‘lematomorfe’ verklaringspoging: God als met een wil begiftigd (‘lematomorf’) wezen. De brand kwam dus van beneden en niet van boven zoals Genesis 24:19 stelt: ‘Toen deed Jahweh zwavel en vuur over Sodom en over Gomorra regenen, van Jahweh, uit de hemel’.
De Grieken, de Romeinen en de Middeleeuwers gebruikten aardolie al op gekanaliseerde in plaats van onbeheerste wijze. De huidige oliewinning en het huidige oliegebruik gaan terug naar de eerste helft van de negentiende eeuw. In Noord-Amerika zocht men geregeld naar waterbronnen, maar vaak was het water met een zwarte substantie gemengd (‘verrassing’) – dan was een bron geheel onbruikbaar, als waterbron of anderszins. Pas nadat men de waarde van aardolie als verlichtingsbrandstof had ontdekt, duidde men bronnen met die zwarte substantie als iets positiefs. Op 27 augustus 1859 was de eerste geslaagde olieboring, van Edwin Laurent Drake en William Smith, een feit, nabij het dorp Titusville in Pennsylvanië.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan info@stichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘Theorie: fundament noch dak, maar vloer en plafond’ (eerder verschenen in Maandblad Geestelijke volksgezondheid, september 1989, p.670-674):
Volgens Van Lieshout (MGv, mei 1989, Buiten de orde) is het niet erg dat de hulpverlening geen uitgekristalliseerde theorie zou hebben, omdat theorie ‘niet het fundament, maar het dak van een bouwwerk’ zou zijn. Watt zou immers ook de stoommachine in 1765 hebben uit gevonden zonder inzichten in stoom en energie en zonder Carnots theorie van 1824.
Dit stoommachinevoorbeeld klopt niet: Watts stoommachine is er net zo min inzichtsloos gekomen als dat hulpverleners volledig blind zouden werken en interveniëren. Stoommensen en hulpverleners werken allen volgens de onderzoekscyclus: … —> voor houdbaar gehouden achtergrond A —> waarneming die niet binnen A past (‘verrassing’) —> verklaringspoging B voor die onverwachte waarneming —> natrekken van die verklaringspoging —> bij gebleken houdbaarheid gaat B als nieuwe achtergrond fungeren —> waarneming die niet binnen B past —> …; zie ook het begin van ‘Samenvatting van ‘De ontdekking van aardolie” hier meteen boven.
De geschiedenis van de stoommachine wordt inderdaad volgens de onderzoekscyclus op een verklarende manier beschreven. De oerverrassing kan men dagelijks nog meemaken, namelijk het dansen van een deksel op een kokende pan water. De eerste die een houdbare verklaring voor die oerverrassing toepaste, was Hero van Alexandrië (ongeveer 100 v.Chr.) in ‘Hero’s stoommachine’, een bol die ronddraait omdat er op geschikte plaatsen aangebrachte gaten stoom uit ontsnapt. Tussen Hero en Watt komen we namen tegen als Torricelli, de uitvinder van de barometer, Papin, de uitvinder van de hogedrukpan, en Newcomen, de uitvinder van de eerste atmosferische stoommachine in 1712. Maar ze werden allemaal geleid door bepaalde inzichten en theorieën. Het verschil met Carnot is dan ook niet dat deze wel en zij geen theorieën gehad zouden hebben, maar dat zij vanuit concrete handelingen, waarnemingen en gedachtes met stoom en stoommachines opereerden terwijl Carnot dat in zijn theorie van 1824 formeel deed: terwijl zij met stoom in de weer waren, zat hij bij wijze van spreken achter een schrijftafel met slechts stoom en stoommachines in gedachte.
Ook voor de hulpverleningspraktijk gaat de onderzoekscyclus op. Het eerste voorbeeld is dat Freud in de zomer van 1881 trachtte te verklaren dat Anna O. in één keer een glas water leegdronk hoewel ze een drinkfobie had. Een tweede voorbeeld is dat Jungs theorie over archetypen van 1913 er is gekomen, onder meer naar aanleiding van een psychotische patiënt die in 1906 in de zon een heen en weer bewegende ‘opwaarts gerichte staart’ meende te zien. Jung stond voor een raadsel: ‘Natuurlijk begreep ik dat merkwaardige idee in het geheel niet’. In 1906 was hij nog Freudiaan en Freuds theorie gold in zijn ogen vooralsnog slechts voor neurotici en niet voor psychotici. Een derde voorbeeld is hoe Rogers op zijn theorie is gekomen. In de jaren dertig was ook hij nog een Freudiaan en meende hij dat pyromanie met masturbatie in verband zou staan. Toen een door hem behandelde pyromaan vrijwel verlost leek van z’n psychische kwaal, stak deze echter toch weer een gebouw in brand. Rogers daarover: ‘Op één of andere manier deed dit incident de mogelijkheid tot me doordringen dat er nog nieuwe kennis te ontdekken was’.
In de hulpverlening wordt dus volgens de onderzoekscyclus gewerkt en ontdekt, dus met inzichten en theorieën. Maar inderdaad, in de persoonlijkheidsleer, waar de psychotherapie een toepassingsgebied van is, is nog geen Carnot opgestaan…

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan info@stichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘Kennisjagers en hun bondgenoten’:
Bespreking van Wetenschap in actie (B. Latour, 1987, Nederlandse uitgave 1988).
Voor Latour staat een wetenschappelijke discussie gelijk met oorlogsvoering. De rivalen, aanhangers van twee verschillende theorieën op hetzelfde kenveld, zouden zoveel mogelijk bondgenoten proberen te rekruteren: collega’s, laboratoria, geldstromen, voor zichzelf gunstige en voor de tegenpartij ongunstige waarnemingen, retoriek, trucs en zo meer worden gemobiliseerd totdat de tegenstander is verslagen of geëlimineerd.
Weliswaar schildert Latour enkele passages uit de wetenschapsgeschiedenis om zijn theorie voor houdbaar te doen lijken, maar voor het overige heeft hij geen of nauwelijks systematisch wetenschapshistorisch onderzoek gedaan. Zou hij dat wel doen, dan zou hij er spoedig achter komen dat op geen enkel kenveld houdbare en toepasbare kennis volgens zijn wetenschapstheorie tot stand is gekomen. Zeker, wetenschappers zijn ook maar mensen en dus spelen allerlei sociale processen een rol: geldstromen voor zichzelf genereren, tegenstanders niet voor een congres uitnodigen, als redactielid artikelen van concurrenten weigeren. Het punt is echter dat die sociale processen niet kennisverwervend zijn. Ze vertragen of versnellen hooguit de totstandkoming en verspreiding van houdbare kennis.
Trouwens, als sociale processen doorslaggevend van aard zijn, waarom zou men dan geloof hechten aan Latours eigen theorie? Wie garandeert ons dat wat Latour ter staving daarvan aanvoert, eigenlijk niet veel meer is dan retoriek en propaganda? Omgekeerd, Latour werkt wel volgens de onderzoekscyclus (zie de twee meteen hierboven staande samenvattingen). Immers, hij probeert te verklaren waarom de ene theorie het in de wetenschapsgeschiedenis wel haalt (Lyells geologische theorie of Newtons zwaartekrachttheorie bijvoorbeeld) en de andere niet (zoals Descartes’ werveltheorie of Brewsters kleurentheorie), terwijl hij informatie tracht aan te dragen, die zijn eigen wetenschapstheorie een houdbaar voorkomen moeten geven.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan info@stichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.