Struktuur en genese, 1991 (vol.4)

Struktuur en genese, 1991 (vol.4)

Inhoudsopgave
Ewald Vervaet, Kunstmatig, p.3.
Ewald Vervaet, Kijkbuiskinderen, p.4.
Ewald Vervaet, Dialektiek, p.5.
Ewald Vervaet, Rolcodes, p.6.
Ewald Vervaet, AIDS-mysterie, p.7.
Ewald Vervaet, Microcommunicatie, p.8.
Ewald Vervaet, Psychodroom, p.9.
Ewald Vervaet, Van ‘struktuur’ naar ‘tissuur’, p.10-17.
Ewald Vervaet, Pseudo-isochromatische kleurenblindheidsproeven – II, p.18-34.

—————

Samenvatting van ‘Kunstmatig’ (eerder verschenen in Spiegeloog, november 1989, p.7):
Kunstmatige of artificiële intelligentie is gebaseerd op de aanname dat het menselijke brein en het computergeheugen met elkaar te vergelijken zouden zijn. Deze aanname is principieel onjuist aangezien het menselijke brein in het bijzonder en het dierlijke brein in het algemeen een verspreid geheugen is, terwijl het computergeheugen lokaal van aard is. Dat wil zeggen, terwijl een stuk informatie in het lokale computergeheugen op een bepaalde plaats ligt opgeslagen en op die plaats dus ook teruggevonden kan worden, ligt een stuk informatie in het verspreide menselijke brein op meerdere neuronale verbindingen opgeslagen, terwijl elk van die verbindingen ook delen van (vele) andere stukken informatie bevat. Door dit verspreide karakter is eenduidige herkenning door het verspreide geheugen uiteraard een probleem. Door de Amerikaan Cooper is echter aangetoond dat zo’n geheugensysteem wel degelijk tot eenduidige herkenning in staat is. Bovendien liet hij zien hoe zo’n geheugen onder meer kan leren en associëren.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan info@stichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘Kijkbuiskinderen’ (eerder verschenen in Spiegeloog, december 1989, p.13):
Hoeveel uren mag een kind per dag teevee kijken? Wat voor programma’s zijn schadelijk voor z’n ontwikkeling? Deze en vergelijkbare vragen worden in vier stromingen bestudeerd: de bewaarpedagogische, de sociologische, de semiotische en de gedragswetenschappelijke. Enkele resultaten uit het werk van Vooijs, die tot deze laatste stroming behoort, worden geschetst en besproken. Zo maken kinderen vanaf 11, 12 jaar uit zichzelf in wat ze op teevee zien, een onderscheid tussen fictie en werkelijkheid. Piagets theorie verklaart dit feit vanuit de overgang van concreet-operationele naar formeel-operationele intelligentie. Het genetische strukturalisme voegt daarom iets essentieels toe aan de gedragswetenschappelijke benadering die bij nader toezien vooral in de conditioneringspsychologische traditie staat.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan info@stichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘Dialektiek’ (eerder verschenen in Spiegeloog, april 1990, p.9):
De marxistische dialektiek (of dialectiek) telt drie wetten: de wet van de omslag van kwantiteit in kwaliteit (bij opwarming verandert ijs in water); de wet van het doordringen van tegenstellingen (de twee polen van een magneet horen bij elkaar); de wet van de negatie van de negatie (-(-a) = +a). Deze drie wetten zouden de gehele natuur beheersen, met inbegrip van de menselijke psyche. Voor de aanhangers van de marxistische dialektiek geldt zij dan ook als de hoogste denkmethode. Allemaal heel mooi, maar gaat ons psychologische functioneren ook zo in werkelijkheid? Het is inderdaad rekenkundig juist dat -(-a)=+a of dat min maal min plus is. Maar op zo’n manier ontwikkelen zich niet in onze psyche de verschillende rekenkundige strukturen. Die ontwikkelen zich als volgt:
Vanaf zeven, acht jaar heeft het kind op basis van z’n omkeerbare concreet-operationele intelligentie een adekwaat getalsbegrip. Het beseft bijvoorbeeld dat en waarom de volgende twee reeksen evenveel puntjes bevatten: (…..) en (. . . . .); rond vijf, zes jaar meende het dat er in de tweede reeks ‘meer’ puntjes zouden zitten en rond drie, vier jaar zou dat het geval zijn met de eerste reeks. Vanaf zeven, acht jaar leert het spoedig adekwaat tellen, bijvoorbeeld vanaf nul tot twintig of dertig, en terugtellen, bijvoorbeeld vanaf twintig of dertig tot nul. Ook kan het spoedig optellingen maken als ‘5+3=8’ en ‘9+6=15’, maar ook aftrekkingen als ‘8-3=5′ en ’15-6=9′. De rekenkundige halfstruktuur van de positieve gehele getallen begint nu te ontstaan nu: {0,1,2,3,…; +} met – als de omgekeerde bewerking van +, zolang het begintal groter is dan het af te trekken getal.
Vanaf negen, tien jaar verkort het herhaalde optellen als in 5+5+5+5=20 zich tot 5×4=20 en het herhaalde terugtellen als in 18-6-6-6=0 tot 18÷6=3. De berekeningen 20÷5 en 18÷6 lukken wel binnen de halfstruktuur {0,1,2,3,…; +}, maar 19÷5 niet. In deze fase is het kind er echter aan toe om z’n getalsbegrip uit te breiden en 19÷5 als een geoorloofde bewerking aan te merken: 3,8 en andere breuken ontstaan. Voor het eerst ontstaat nu een rekenkundige struktuur, namelijk die van de positieve breuken onder het vermenigvuldigen en delen ({Q+ ; x} met ÷ de volledig omgekeerde bewerking van x): twee met elkaar vermenigvuldigde of op elkaar gedeelde positieve breuken leveren opnieuw een positieve breuk op.
Vanaf elf, twaalf jaar – in de rechtgroei beschikt het kind dan over een formeel-operationele intelligentie – verkort het herhaalde vermenigvuldigen als in 4x4x4=64 zich tot 4^3=64 en het herhaalde delen als in 81÷3÷3÷3÷3=1 tot 4V81=3. Tevens ziet het kind in dat ook een aftrekking als 2-5=-3 geoorloofd is. Daardoor ontstaan de negatieve getallen en wordt de halfstruktuur van de positieve gehele getallen tot de struktuur van alle gehele getallen: {…,-2,-1,0,1,2,…; +} met – de volledig omgekeerde bewerking van +.
De marxistische dialektiek kan deze ontwikkeling niet verklarend beschrijven met alleen haar drie wetten. Zo vormen zelfs oneindig vele polaire paren als (-1,+1), (-2,+2), (-3,+3) enzovoort nog steeds geen rekenkundige struktuur want per struktuurelement zijn er drie getallen nodig: 5+3=8, 15-6=9 en dergelijke. Bovendien ontstaan nieuwe kwaliteiten als de breuken en de negatieve getallen niet uit het omslaan van een kwantiteit maar doordat de operaties binnen een bestaande struktuur omkeerbaar worden, zich herhalen, zich verkorten en gegeneraliseerd worden.
Kortom, anders dan de marxistische dialektiek stelt, hebben tegenstellingen (tussen kwantiteit en kwaliteit, in hun onderlinge doordringen en in een dubbele negatie) niet het primaat in ons psychologische functioneren en daarmee vervalt de basis eronder, niet alleen in de rekenkunde maar ook voor het revolutionaire ombouwen van een samenleving langs marxistisch-leninistische, stalinistische of maoïstische lijnen.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan info@stichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘Rolcodes’ (eerder verschenen in Spiegeloog, februari 1991, p.4):
In een sociaal systeem stellen de deelnemers daaraan hun gedragingen op elkaar af: als koper-verkoper, als staatshoofd-onderdanen, enzovoort. Dat doen ze door het afspreken van gedragingen, rollen, bevoegdheden en andere rolcodes. Ruzie, oorlog en dergelijke zijn gebaseerd op het feit dat er twee of meer systemen van rolcodes tegelijk in het geding zijn, die niet logisch en/of feitelijk met elkaar in overeenstemming te brengen zijn. Bijvoorbeeld, twee personen willen samen op vakantie maar de een wil per se naar het Noorden en de ander per se naar het Zuiden. Of land L maakt aanspraak op een bepaald gebied dat nu bij land M hoort terwijl M dat gebied niet aan L wil afstaan.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan info@stichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘AIDS-mysterie’ (eerder verschenen in Spiegeloog, mei 1991, p.14):
De ontdekking van AIDS is volgens de onderzoekscyclus gegaan: … –> achtergrondkader –> verrassing –> verklaringspoging –> verankering –> hogere-orde-verrassing –> …; voor nadere uitleg en voorbeelden: zie vele samenvattingen van artikelen in andere afleveringen van Struktuur en genese.
In de tweede helft van 1981 had een ‘tot dan toe onbekende ziekte’ 180 Amerikanen getroffen (Trouw, 11 december 1981): die onbekende ziekte als ‘verrassing’ ten opzichte van het medische diagnostische systeem van vóór juli 1981 als achtergrondkader. Omdat 92% van de patiënten homoseksueel was, luidde de eerste verklaringspoging voor de nieuwe ziekte dat ze iets met homoseksualiteit van doen zou hebben. Haar eerste naam was dan ook GRID en niet AIDS, namelijk van Gay Related Immuno-Deficiency of Immunodeficiency Disease. Deze verklaringspoging werd verankerbaar gehouden omdat nieuwe gevallen van GRID ook doorgaans bij homoseksuelen werden gevonden. In de loop van 1982 werd het echter in de VS duidelijk dat GRID ook bij heteroseksuele Haïtiaanse immigranten, bij gebruikers van verdovende middelen en bij hemofiele patiënten voorkwam. Deze hogere-orde-verrassing leidde uiteindelijk tot de verklaringspoging dat GRID niet met seksuele geaardheid per se van doen heeft, maar met bepaalde vormen van seksueel contact en andere verschijnselen te maken heeft, die het immuunsysteem verstoren. Omdat die verklaringspoging over de hele linie verankerbaar bleek, heet GRID sindsdien AIDS: Acquired Immuno-Deficiency Syndrome.
Ook de ontdekking van het vaccineren tegen de pokken door de Engelsman Jenner is volgens de onderzoekscyclus gegaan. Het was Jenner namelijk opgevallen dat melkmeisjes tijdens de pokkenepidemie van 1798 gespaard waren gebleven. Zijn verklaringspoging was dat ze immuun waren geworden door contact met aan pokken lijdende koeien. Dat vermoeden kwam uit en als toepassing besmette hij daarom iemand opzettelijk met koepokstof. Daar ‘vacca’ het Latijnse woord voor ‘koe’ is, is dat besmetten vaccineren genoemd.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan info@stichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘Microcommunicatie’ (eerder verschenen in Spiegeloog, juni 1991, p.10):
Communicatie is gebaseerd op interpreteren. De zender van een boodschap interpreteert een bepaalde stand van zaken en de ontvanger van diens boodschap interpreteert de klanken en/of in lettertekens weergegeven zinnen. Onder meer de optieken van Sullivan en van Watzlawick op microcommunicatie – dit is communicatie op persoonlijk nivo – worden besproken.
Ook wordt een aan Piet Grijs ontleend communicatiespel geschetst: Kraak de afspraak. Iemand uit een gezelschap verlaat de kamer. Bij terugkomst moet hij erachter komen wat ze ondertussen hebben afgesproken, namelijk met vragen waar alleen ‘Ja’ of ‘Nee’ op geantwoord kan worden. De blijvers spreken af dat ze op een vraag die op een N eindigt in koor ‘Ja’ zullen antwoorden en op elke andere vraag ‘Ja’. Het moeilijke aan deze afspraak is dat men meestal iets inhoudelijks afspreekt, bijvoorbeeld ‘Marit is vorige maand in Reykjavik geweest’. Hier betreft het echter een afspraak omtrent de vorm van de vragen. Het geniepige van ‘Kraak de afspraak’ is dan ook dat het slachtoffer nooit een geordend antwoord op zijn vragen zal krijgen, ook niet als hij de gemaakte afspraak dóór heeft. Immers als hij vraagt ‘Hebben jullie afgesproken “Ja” te zeggen bij een vraag op een N?’, dan antwoorden ze ‘Ja’. Vraagt hij evenwel ‘Hebben jullie afgesproken bij een vraag op een N te antwoorden met “Ja”?’, dan antwoorden ze ‘Nee’ – geheel volgens de regels van de code, maar in tegenspraak met de inhoud van de vraag en met die code.
Moraal van het verhaal? Bij tijd en wijle zitten we in onze eigen operationele kring gevangen en doen we er verstandig aan onze eigen weg te gaan. Het slachtoffer van ‘Kraak de afspraak’ bijvoorbeeld doet er verstandig aan het spel van zijn kant te verbreken zodra hij de code heeft gekraakt. Vanaf dat moment is wat de anderen zeggen nog slechts overbodige vorm.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan info@stichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘Psychodroom’ (eerder verschenen in Spiegeloog, augustus 1991, p.18v):
Positivistische psychologen hebben een droom: de successen van de natuurwetenschappelijke methode evenaren, namelijk door rekenen en wiskundige formules in de psychologie te introduceren. Dit is onder meer door de Engelsman Spearman in 1908 verwoord: ‘De formules [van Gauss] hebben niet weinig bijgedragen aan de exactheid van het moderne fysische en psychische onderzoek’. Spearman doelde op Gauss’ meetfoutentheorie. Op haar zou de basisformule van de positivistische psychologie, X = T + E, steunen: gevonden score = ‘ware score’ + fout-score.
X = T + E geldt inderdaad voor het meten van de positie van een ster. Men doet 20 waarnemingen X, middelt die en verkrijgt zo T, de ‘ware positie’ van de ster. Dan is per waarneming E = X – T de meetfout. Dit is een zinvolle gang van zaken omdat met het begrip ‘positie van Sirius’ iets in de buitenwereld overeenkomt, namelijk de ster Sirius waarvan de positie ten opzichte van de aarde vooralsnog een constante is. Een waarneming X aan die positie is dus geen artefact dat voortvloeit uit vooropgezette en onaangetoonde ideeën van sterrenkundigen. Door onregelmatigheden in de atmosfeer van de aarde en onnauwkeurigheden, zowel aan onze kijkers en andere instrumenten als aan onze ogen, kunnen we de constante van Sirius’ positie echter nooit precies bepalen. Vandaar het optreden van een meetfout per waarneming.
In de positivistische psychologie meent men nieuwe kennis te kunnen vergaren door ergens zoveel mogelijk waarnemingen over te doen en dan te middelen om tot slot bij de ‘ware score’ uit te komen. De Groot heeft hier een formule voor (naar ik in 2005 aanneem heeft hij ze direct of indirect aan de Engelsman Fisher ontleend); zie Methodologie, 1961, p.284:

Ware score, Ti = limiet (1/M x som Xim)
De limiet wordt van M naar oneindig genomen.
De som van Xim loopt van m=1 naar m=M.

Dertig jaar na dato (en dat is helaas nog steeds zo in 2005 als deze webpagina op internet verschijnt) heeft deze formule echter nog tot geen enkele kennistoename in de psychologie geleid; zie de positivistische definitie van intelligentie als ‘Intelligentie is wat deze IQ-test meet’ waar maar geen schot in wil komen. De reden is dat het volstrekt onduidelijk is met welke psychologische stand van zaken bijvoorbeeld een testscore overeenkomt. Het lijkt er namelijk op dat testscores met geponeerde maar nooit gecontroleerde formules worden bepaald. Een testschaal die bijvoorbeeld uit 15 vragen bestaat die elk 5 antwoordmogelijkheden hebben waarvoor men 1, 2, 3, 4 respectievelijk 5 punten krijgt, is een artefact zolang de formule hierachter onaangetoond is: totaalscore = de som van 15 gehele getallen in het interval [1,5]. Anders dan met het begrip ‘positie van Sirius’ komt met ‘Kees heeft een score op deze test van 45′ niets in de buitenwereld overeen, juist vanwege de vooropgezetheden aan en ongecontroleerdheden in de totstandkoming van een testscore.
Positivistische psychologen gaan echter onverdroten verder. Psychodromen zijn bedrog, maar ondertussen is het positivisme vanwege z’n onvruchtbaarheid wel een psychodrama voor de psychologie.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan info@stichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘Van ‘struktuur’ naar ‘tissuur”:
In 1968 definieerde Piaget een struktuur als een totaalsysteem van zelfregulerende transformaties. In 1986 heb ik dit struktuurbegrip geformaliseerd. Binnen die formalisatie blijkt de term ‘struktuur’ echter voor misverstanden te zorgen. Met een nieuwe term zijn deze misverstanden waarschijnlijk te verhelpen: ‘tissuur’. Daarin is het Piagetiaanse transformatiebegrip vervangen door ‘isomorfisme’: twee verzamelingen elementen, bijvoorbeeld {4,3,7} en {5,7,12}, hebben weliswaar verschillende inhouden maar eenzelfde vorm onder de opteloperatie: 4+3=7 en 5+7=12. Bovendien is Piagets zelfregulatiebegrip dan te vervangen door het evenwichtsbegrip. In het voorbeeld is de omgekeerde bewerking immers het aftrekken zodat met elke optelling a+b=c één en slechts één aftrekking c-b=a overeenkomt, en omgekeerd. Een tissuur is dan een totaliteit van isomorfismen die in een onderling evenwicht verkeren. De verzameling van alle gehele getallen, Z, is dus onder het optellen (en aftrekken) een tissuur: (Z;+).
Andere voorbeelden van een tissuur zijn: Newtons zwaartekrachttheorie (met de zwaartekrachtwet als isomorfismeregel); Maxwells elektrodynamica (met Maxwells vergelijkingen als de vier isomorfismeregels); Einsteins speciale en algemene relativiteitstheorie; de seriatie van 10 ongelijke stokjes; de correct weergegeven syntaxis van het Nederlands; het geheel van zelfkennispatronen.
Een dertiental voordelen van het tissuurbegrip wordt uiteengezet. Drie voorbeelden zijn:
a. Het tissuurbegrip is ook buiten de exacte vakken geldig, zoals in de persoonlijkheidsleer (zelfkennispatronen) en in sociologische en juridische conteksten voorzover deze systemen beschrijven die op onderlinge wilsovereenstemming berusten (koper-verkoper, voorzitter-leden, kiezer-gekozene).
b. Het tissuurbegrip expliciteert het verband tussen de neurofysiologische basis van kennis en de psychologische operaties met betrekking tot de kennisinhouden.
c. Daar het tissuurbegrip geheel in termen van verbanden is gedefinieerd is het mogelijk aan te tonen dat een tissuur vier psychologische dimensies telt (precies zoals een ruimtelijke struktuur drie dimensies telt: lengte, breedte, hoogte), namelijk: verbandlegging, begripsvorming, rekenschap en causaliteit. Daardoor moet én kan het empirische onderzoek naar een tissuur veel specifieker dan zonder die vierdimensionaliteit.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan info@stichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘Pseudo-isochromatische kleurenblindheidsproeven – II’:
Recente verbeteringen van kleurenblindheidsproeven stoelen niet op de theorie van de tegenkleuren, maar op de driekleurentheorie. Aan de wieg daarvan staat de Engelsman Newton (1642-1727). In 1666 ziet hij hoe zonlicht door een prisma uiteen wordt gelegd in een kleurenband die op de regenboog lijkt. In 1704 stelt hij de kleuren voor als liggende op een cirkel. De draad wordt in 1801 en 1802 opgepakt door de Engelsman Young (1773-1829). Youngs theorie en kleurendriehoek krijgen pas in 1852 een vervolg, bij de Duitser Helmholtz (1821-1894) in diens artikel over het mengen van kleuren. In de tussentijd, vanaf 1823, speelt de drie-spectra-theorie van de Engelsman Brewster (1781-1868) een belangrijke rol. Uiteindelijk leidt het werk van de Duitser Grassmann (1809-1877), Helmholtz en de Engelsman Maxwell (1831-1879) naar de hedendaagse chromaticiteitsdiagrammen waarin kleuren als vectoren zijn weer te geven en waarmee heel nauwkeurige berekeningen zijn uit te voeren, ook ten aanzien van kleurenblindheid.
De Nederlander Donders (1818-1889) synthetiseert de driekleurentheorie en de theorie van de tegenkleuren in zijn zonetheorie (1881). Die legt de basis voor de huidige verklaring voor het kleurenzien: wat in de netvliescellen gebeurt lijkt op de beschrijving van het kleurenzien in de driekleurentheorie (er zijn dan ook drie soorten kleurgevoelige netvliescellen), terwijl wat in de visuele cortex gebeurt door de theorie van de tegenkleuren beschreven lijkt te worden (in de visuele cortex zijn er vier soorten kleurgevoelige zenuwcellen met elk twee receptieve velden, de dubbel-opponente cellen).
De ontdekkingsgeschiedenis van pseudo-isochromatische kleurenblindheidsproeven is één groot pleidooi voor de onderzoekscyclus; zie deel I in Struktuur en genese, 1990. Bijvoorbeeld, in 1666 wil Newton Descartes’ lichttheorie met een prisma natrekken. Volgens die theorie is lichtbreking voor alle kleuren gelijk. Daarom verwacht Newton van een ronde bundel zonlicht een rond, wit beeld te zullen zien. Hij ziet echter wat anders. In 1670 schrijft hij dat hij ‘erdoor verrast [werd] de kleuren in een langgerekte vorm te zien, die rond had moeten zijn naar ik op grond van de brekingswetten verwachtte’. Newtons verklaringspoging hiervoor is zijn kleurentheorie van 1671/72.
De belangrijkste conclusie is dat de positivistische voorstelling van zaken als zouden kleurenblindheidsproeven familie zijn van IQ-tests en van persoonlijkheidsvragenlijsten (zie bijvoorbeeld Drenth, Inleiding in de testtheorie, 1975, p.92), volstrekt ten onrechte is.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan info@stichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.