Struktuur en genese, 1993 (vol.6)

Struktuur en genese, 1993 (vol.6)

Inhoudsopgave
Ewald Vervaet, De persoonlijkheidsontwikkeling, p.4-11.
Ewald Vervaet, Zingeving en zelfkennistheorie, p.12-15.
Ewald Vervaet, Albertje, p.16.
Ewald Vervaet, Piagets theorie en de GGZ, p.17-22.
Ewald Vervaet, Wetenschappelijke tijdschriften: forum of toneel?, p.23-26.

—————

Samenvatting van ‘De persoonlijkheidsontwikkeling’ (eerder verschenen in Spiegeloog, september 1992 (p.19v), oktober 1992 (p.26v), december 1992 (p.19v) en januari 1993 (p.11v)):
De persoonlijkheidsontwikkeling volgens de zelfkennistheorie, zoals die uitvoerig is beschreven in Vervaets proefschrift Strukturalistische verkenningen in kennisleer en persoonlijkheidsleer (1986, p.197-336) wordt samengevat aan de hand van drie hoofdfasen.
In de eerste hoofdfase, tussen geboorte en een jaar of drie, ontstaat het besef dezelfde te zijn die men was als die men is en zal zijn – het identiteitsbesef (toen ‘zelfgevoel’ genoemd); de toenmalige bevindingen zijn veel preciezer onderzocht en beschreven in Groeienderijs; psychologie van 0 tot 3 (Ambo, 2002; derde druk: 2004); zie de inhoud van Groeienderwijs.
De tweede hoofdfase loopt van ongeveer drie tot elf, twaalf jaar. Daarin breidt het identiteitsbesef van de eerste hoofdfase zich in vijf fasen uit via het mijngevoel (differentiatie naar mijn en dijn), het lichamelijke zelfgevoel (tot uiting komend in het kunnen zwemmen, los fietsen op een tweewieler, zelf de bips afvegen en dergelijke), het kundigheidszelfgevoel (besef te kunnen rekenen, lezen, schrijven, klokkijken en dergelijke) en het bijzonderheidszelfgevoel (weten wat de persoonlijke hoogte- en dieptepunten zijn in het lichamelijke en het kundigheidszelfgevoel en waarin men de beste of juist de slechtste is binnen een bepaalde groep) tot het lichaam-geest-zelfgevoel (waaronder het besef valt dat een lichamelijke reactie iets persoonlijks kan betekenen, dat bijvoorbeeld op de stoel wippen voor opgewondenheid staat).
De derde hoofdfase (tussen elf, twaalf en zeventien, achttien jaar) is mogelijk omdat het abstracte denken is ontstaan. Ook deze hoofdfase bestaat uit vijf fasen: in de evaluatieve fase voegt de jongere iets goed- of afkeurends toe aan een gevoel (Jasper over iemand die in tegenstelling tot hemzelf niet van fietsen en auto’s houdt: ‘Het is niet zo gezond om thuis te zitten lezen’); in de toeschrijvingsfase laat de jongere dat goed- en afkeurende vallen in concrete botsingen als ‘Ik wil zo, omdat ik weet dat die ander dat juist niet wil’; in de autognostische fase is de jongere in staat z’n gevoelswereld te verkennen middels zelfkennispatronen (Robin bijvoorbeeld weet dat en hoe hij inhoudelijk verschillende zaken als het spelen van een korfbalwedstrijd en het trotseren van een storm op zee op dezelfde wijze beleeft, namelijk de spanning van ‘erop of eronder’ als iets heerliks, het oppakken van een fysieke uitdaging als iets fijns, enzovoort); in de heterognostische fase is de jongere in staat zich in andemans zelfkennispatronen in te leven; in de abstractiefase kan de jongere de zelfkennistheorie integraal begrijpen.
Onderzoek naar de genese van zelfkennispatronen wordt besproken. Verder komen onderwerpen aan bod als het versneld doorlopen van de fasen naar aanleiding van een unieke gebeurtenis zoals het winnen van goud op de Olympische Spelen of het zien neerstorten van een vliegtuig op een woning (‘operationele recapitulatie’), rechtgroei en scheefgroei van zelfkennis en psychotherapie vanuit de zelfkennistheorie om scheefgroei weer tot rechtgroei om te buigen. Van psychotherapie wordt een voorbeeld uitgewerkt van een vrouw die zich van de werkelijkheid voelt afdrijven, derealisatie in vaktaal, en weer in de werkelijkheid terugkeert doordat ze bepaald wordt bij wat in de directe omgeving van haar is, dus gebruikmakend van het mijngevoel dat aan het begin van de tweede hoofdfase ontstaat.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan info@stichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘Zingeving en zelfkennistheorie’ (eerder verschenen in Spiegeloog, mei 1993, p.23-25):
Hoe verhoudt zingeving zich tegenover de persoonlijkheid, opgevat als een psychologisch systeem van zelfkennis? Het antwoord is gebaseerd op een vijfdeling in ons psychologische functioneren:
a. We functioneren op het objectieve domein als we er ons rekenschap van geven dat een kilo zwaarder weegt dan een pond in het dagelijkse leven en als we in de wetenschap wiskunde, natuurkunde en dergelijke aan het bedrijven zijn.
b. Het subjectieve domein is dat van gevoelens, persoonlijke symbolen en dergelijke.
c. Op het sociale domein functioneren we als we met iemand een afspraak maken, in een groep de rollen verdelen, in een samenleving wetten opstellen.
d. Iemand functioneert op het paranormale domein als hij/zij zich met telepathie, helderziendheid en dergelijke bezig houdt.
e. En iemand functioneert op het goddelijke domein als hij/zij zich met vragen verstaat als ‘Waar komt alles vandaan?’, ‘Bestaat er een God en, zo ja, is die van persoonlijke of van energetische aard?’ en ‘Bestaat het hiernamaals of zullen we reïncarneren in een volgend leven?’.
De schrijver beweert niet dat er op allevijf de domeinen betrouwbare en geldige kennis voorhanden is in 1993 (of in 2005 als deze samenvatting op internet verschijnt), maar wel dat mensen er zich mee bezighouden, ook als ze ten aanzien van het paranormale domein skeptisch zijn of ten aanzien van het goddelijke domein een agnostische of atheïstische overtuiging hebben.
Zelfkennis staat op het subjectieve domein. Zingeving is een subjectieve act vanuit zelfkennis, en wel ten opzichte van één of meer van de vijf domeinen. Als iemand dus in hart en nieren scheikunde (op het objectieve domein) beoefent, dan draagt dat bij tot zijn/haar zingeving. Voor een fervent aanhanger van politieke partij (dus op het sociale domein) is het volgen van het wel en wee van die partij een onderdeel van zijn zingeving van zijn leven. En als iemand als rooms-katholieke kloosterzuster helemaal voor God leeft (dus op het goddelijke domein), dan geeft dat geloof voor haar zin aan haar leven.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan info@stichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘Albertje’ (eerder verschenen in Spiegeloog, september 1992, p.15):
Rond een maand of negen is Albertje (of kleine Albert) niet bang voor een witte rat, een konijn en andere ‘harigheden’ en enkele maanden later wel. De onderzoeker van Albertje, Watson en Rayner, beschrijven hoe ze Albertje bang maken voor een witte rat door achter hem een harde knal te maken, telkens als ie de rat aanraakt. Albertje blijkt in de ‘juiste’ fase gezeten te hebben voor deze proef, namelijk in de ontwikkelingsfase tussen 8 en 12 maanden; zie Struktuur en genese, 1994. Dan legt een kind allerlei verbanden ook als ze er inhoudelijk niet zijn, zoals een verband tussen het aanraken van een rat en het horen van een knal: Albertje is gaan denken dat zijn aanraken die knal veroorzaakt. Ook probeert een kind zich dan troost en veiligheid te verschaffen met z’n zogeheten kroel. Bij Albertje is dat z’n duim. Daarvoor pleit dat de onderzoekers schrijven: ‘Telkens als Albert op het punt stond om in tranen uit te barsten of emotioneel overstuur te raken, wilde ie in het algemeen z’n duim alsmaar in z’n mond duwen’. Echter, met het oog op het maken van een film van de proef, ‘moesten we de duim uit z’n mond verwijderen’. Dan pas begint Albertje te huilen! Dat huilen zou bewijzen dat de conditionering met de knallen is gelukt. Dat is echter een vrij onlogische conclusie: uit zichzelf gaat Albertje duimen, maar daar is ie toch niet toe geconditioneerd!?!?
Albertjes gedrag in de proef met de witte rat en de geluidsknallen pleit dus niet voor het conditioneren, maar voor de stelling dat hij ten tijde van de proef in de ontwikkelingspsychologische fase verkeert waarin magische verbanden worden gelegd en de kroel ontstaat.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan info@stichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘Piagets theorie en de GGZ’:
Piagets theorie, de genetische epistemologie, wordt geschetst en onderzocht op haar toepasbaarheid voor de geestelijke gezondheidszorg (GGZ).
Piagets theorie wordt gewoonlijk met vier fasen uiteengezet: de sensorimotorische fase tot 2,5 jaar; de pre-operationele fase van 2,5 tot 7 jaar; de concreet-operationele fase van 7 tot 11 jaar; de formeel-operationele fase vanaf 11 jaar.
In de sensorimotorische fase functioneert het kind op basis van handelingen en waarnemingen.
In de pre-operationele fase komen daar denkoperaties bij, maar die zijn nog onomkeerbaar. Tien stokjes van verschillende lengte (A>B>…>J) worden als paren en trio’s geordend, bijvoorbeeld als B-E-F, D-G, C-H-I, A-J. Het kind vat ‘X is groter dan Y’ op als zou X ‘groterheid’ hebben waar Y eenzijdig van afhangt, zonder oog te hebben voor YY en Y In de formeel-operationele fase is het kind in staat tot abstract ordenen. De vraag ‘Edith is lichter dan Suzan en donkerder dan Lili. Wie is de lichtste: Suzan of Lili?’ wordt terecht met ‘Suzan’ beantwoord en niet, zoals voordien, met ‘Lili’.
De ontwikkeling van sensorimotorisch naar formeel-operationeel wordt gedragen door twee processen: assimilatie en accommodatie. In assimileren neemt een kind iets op conform z’n bestaande psychologische structuur; in de sensorimotorische fase steekt het kind bijvoorbeeld een stokje in z’n mond of gooit het met alletien. In accommodatie verandert de structuur, zoals wanneer het kind de ordening B-E-F, D-G, C-H-I herschikt tot A-B-C-…-I-J, dus in de overgang van pre- naar concreet-operationeel.
Het voorgaande wordt toegepast op twee onderwerpen die relevant zijn voor de GGZ, namelijk voor de behandelaar als onderzoeker en voor het verband tussen cliënts opereren en therapeuts interveniëren.
De behandelaar als onderzoeker wordt vanuit ‘assimilatie’ en ‘accommodatie’ uiteengezet voor Freud, Horney en Rogers. Bijvoorbeeld, Freud had in Wenen geleerd dat hysterie alleen bij vrouwen voorkwam, maar hij herzag die ideeën (accommodatie) toen hij bij Charcot in Parijs hysterische verschijnselen bij een aantal mannen zag. Ook komen opvattingen over psychotherapie en taal vanuit ‘assimilatie’ en ‘accommodatie’ in een ander daglicht te staan. Hetzelfde geldt voor de acht fasen van Eriksons theorie.
Tot slot worden twee voorbeelden gegeven van therapeutisch interveniëren langs Piagetiaanse lijnen. Dirk ziet zich als ‘een mens met niet zo veel emoties’ en wil dat veranderen. Door hem te bepalen bij de sensorimotorische reacties van z’n lichaam komt er echter een proces op gang. En Emma die zich op haar werk geregeld aan Haja irriteert, leert in een rollenspel, dus op concreet-operationeel vlak, hoe ze met zulke situaties anders kan omgaan. Zo men wil, haar inzicht over haar gewoonlijke reageren en haar nieuwe manier van reageren, staat op formeel-operationeel vlak. Lichaamswerk en rollenspelen hebben vanuit Piagetiaanse optiek dus een volstrekt legitieme plaats in psychotherapeutisch kader.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan info@stichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘Wetenschappelijke tijdschriften: forum of toneel?’ (eerder verschenen in Spiegeloog, februari 1992, p.5-7):
‘Publiceer of crepeer’ is een veel gehoorde leuze in de wereld van de wetenschap. De vraag is echter of er aan publiceren en carrière maken aan een universiteit geen keerzijde is, namelijk creperen van de wetenschap – misschien niet van elke wetenschap, maar in elk geval wel van een relatief jonge wetenschap als de psychologie.
Eerst wordt het ontstaan van het verschijnsel ‘wetenschappelijk tijdschrift’ geschetst. In de zeventiende eeuw gingen steeds meer mensen steeds meer onderwerpen onderzoeken en kregen de onderzoekers ook een groeiende behoefte hun bevindingen met geïnteresseerden te delen. Men deed dat per brief. Wie veel interesse had, vaak reageerde en weer doorbriefde, kreeg veel wetenschappelijke post. De Franse minderbroeder Mersenne (1588-1648) en de Bremense theoloog Oldenburg (rond 1617-1677) werden zo knooppunten van een levendige wetenschappelijke briefwisseling. Vooral Oldenburg kreeg het na zijn definitieve vestiging in Engeland rond 1650 zo druk met het overschrijven dat hij besloot de brieven elke maand gebundeld in een oplage van 1200 uit te brengen. Daarmee was in maart 1665 het eerste wetenschappelijke tijdschrift geboren, het nog steeds bestaande Philosophical transactions.
In deze ontstaansgeschiedenis blijkt heel duidelijk dat een wetenschappelijke publicatie maar één doel mag dienen: de wetenschappelijke gedachtewisseling en niet het opleveren van een sleutel voor het verdelen van onderzoeksplaatsen, subsidies en dergelijke. In dat laatste geval gaan onderzoekers namelijk publiceren omdat ze hun vakgroep overeind willen houden (terwijl ze weten dat ze inhoudelijk niet echt iets te melden hebben); gaat men elkaar de bal toespelen en concurrenten de voet dwars zetten, bijvoorbeeld door goede artikelen te weigeren; enzovoort.
De wetenschapsgeschiedenis toont aan dat veel publiceren allerminst betekent dat men een goede wetenschapper is en dat weinig publiceren op slecht onderzoekerschap zou duiden. Zie bijvoorbeeld Mendel, Peirce en De Saussure.
Ik pleit dus voor een relativering van het waarde van ‘Publiceer of crepeer’. Daarbij put ik helaas ook uit eigen ervaring. Veel wetenschappers kunnen daarvan meepraten maar durven dat niet uit een soort schaamte. Ikzelf heb daar wat minder moeite mee omdat ik weet uit welke hoek weigeringen van artikelen van me zijn gekomen: uit de positivistische hoek. Vandaar dat ik er naast teleurstelling toch ook een soort waardering in zie. Zo was ik door een redactielid van het Nederlands tijdschrift voor de psychologie uitgenodigd een artikel over een onderdeel uit m’n proefschrift te schrijven. Het artikel werd geweigerd met kreten als ‘Dit is een onleesbaar stuk’, ‘Combinatie van sofisterij en ondeskundigheid’ en ‘Waanwijze polemieken’. Er zaten maar drie inhoudelijke reacties tussen deze academische scheldpartij! Het NIP-blad De psycholoog oordeelde over het concept en daarmee dus ook over mijn proefschrift onder meer: ‘Wetenschappelijkheid: zeer laag’. Mijns inziens is het van tweeën één: óf ik had niet gepromoveerd mogen zijn óf deze beoordelingen snijden geen hout en zijn een vorm van vuilspuiterij. In zo’n publicatiesfeer crepeert de wetenschap.
Ik doe het voorstel om tot een andere opzet te komen voor wetenschappelijke tijdschriften. Mijns inziens mogen er aan publicaties geen financiële en andere niet-inhoudelijke consekwenties verbonden worden. Ook dient het beoordelen van artikelen niet gedaan te worden door mede-onderzoekers, maar bijvoorbeeld door wetenschappers die zich louter toe willen leggen op het geven van onderwijs – een soort scheiding der machten kortom.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan info@stichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.