Struktuur en genese, 1994 (vol.7)

Struktuur en genese, 1994 (vol.7)

Inhoudsopgave
Ewald Vervaet, Het ontstaan van het zelfgevoel – I, p.4-27.
Ewald Vervaet, Omstanders, p.27-28.
Ewald Vervaet, Biologie en wetenschapsleer, p.29-30.

—————

Samenvatting van ‘Het ontstaan van het zelfgevoel – I’:
De periode tussen 6 maanden na de conceptie en 12 maanden na de geboorte telt vier ontwikkelingsfasen.
Voor de eerste fase moeten we een onderscheid maken tussen gedragswijzen die het kind al in de baarmoeder kan uitoefenen, zoals het horen van de stem van de moeder, en gedragswijzen die het pas na het verlaten van de baarmoeder kan uitoefenen, zoals het zien van personen en voorwerpen op een afstand van hooguit 20, 30 centimeter. We beginnen met deze laatste. Het klinkt nu misschien wat raar maar als u al lezende zo ver bent zal het waarom u wel duidelijk zijn: na de tweede fase, die tussen 1 en 4 maanden,
In de ontwikkelingsfase vanaf de geboorte zijn de vier voornaamste gedragswijzen die het kind kan uitoefenen het zien, het blijven knijpen met de vingers van een hand, het stemgebruik en het zuigen. Aan allevier zitten zowel een zintuiglijke als een motorische kant. Bij het zien zijn dat de netvliescellen achterin het oog en de spieren rond de oogbollen; bij het blijven knijpen de tastzin in de vingers en de spieren die de vingers doen krommen. In deze fase staan het zintuiglijke en het motorische los van elkaar: veel kinderen loensen en allemaal blikken ze onbestemd in de ruimte; als een voorwerp tussen de vingers van een hand komen, krommen die zich maar spoedig rechten ze zich ook weer. De reden is dat het kind ten aanzien van deze gedragswijzen slechts biologisch functioneert en nog niet psychologisch. De netvliescellen in het oog en de zenuwuiteinden van de tastzin in de vingers reageren op de bijbehorende prikkels en de spieren rond de oogbollen en die in de vingers spannen en ontspannen zich reflexmatig. Er zijn kortom slechts biologische reacties en reflexen en deze staan los van elkaar. In plaats van zelfkennis heeft het kind dan ook louter biologische behoeftes: het wil niet slapen, maar het heeft behoefte aan slaap; het ervaart zich niet uitgeslapen, maar de slaapbehoefte is bevredigd; enzovoort. Ook verkeert het kind in deze fase wat z’n zelfervaring betreft in een vegetatieve toestand: het heeft evenmin weet van zichzelf als dat een zonnebloem en een bloemkool dat hebben.
In de ontwikkelingsfase tussen 1 en 4 maanden vormen de reacties en de reflexen per gedragswijze een systeem: de netvliescellen en de oogspieren worden met elkaar verbonden en daardoor ontstaat het staren; de tastzin en de vingerspieren worden met elkaar verbonden en daardoor ontstaat het blijven knijpen in een voorwerp; de opvangcentra in de keel die trillingen registreren, en de stembanden worden met elkaar verbonden en daardoor ontstaat het maken van klanken als ‘aaaa’ en ‘uuh’, het zogeheten vocaliseren. Al iets eerder, namelijk rond 7 tot 10 dagen, worden en de opvangcentra in de mond en de keel die opvangen dat er vloeistof tegen komt, en de zuigreflex met elkaar verbonden en daardoor ontstaat het drinken. Doordat deze systemen per gedragswijze er zijn, is het kind psychologisch betrokken bij wat er aan hem gebeurt: het ontwikkelt een gevoel voor ‘graag hebben’ en voor ‘niet graag hebben’. Het ziet moeders ogen bijvoorbeeld graag of hoort bepaalde geluidjes graag en gaat glimlachen. Of het heeft het gekietel op z’n buikje graag en gaat kirren. Omgekeerd, als het naar het witte konijn naast zich ligt te staren en iemand haalt dat konijn weg, dan kan heeft dat niet graag en begint het te huilen. Dit is een ander soort huilen dan dat van de vorige fase: toen huilde het omdat een biologische behoefte opspeelde, maar nu omdat het iets in psychologisch opzicht niet graag heeft. Zo men wil: toen huilde het kind reflexmatig en nu psychologisch. Ook de zelfervaring ondergaat een wijziging. Als het kind bijvoorbeeld naar dat witte konijn staart, ervaart het zich als een ondergedompeld-zijn in de werkingen van z’n eigen ogen (netvliescellen plus oogspieren: het moet enige moeite doen om z’n blik op het konijn te fixeren) en in het kijk-tafereel in de buitenwereld (dat konijn). Omdat ogen en handen, ogen en stem, ogen en mond, enzovoort echter allemaal los van elkaar functioneren, kan het kind niet beslissen wat zijn aandeel in het staren is en wat het aandeel van het konijn daarin is – vandaar ‘ondergedompeld-zijn’.
Als aangekondigd gaan we nu terug naar de gedragswijzen die het kind al in de baarmoeder kan uitoefenen. Precies zoals het kind ten aanzien van z’n ogen, handen en stem rond 1 maand (en ten aanzien van het zuigen rond 7, 10 dagen) een overgang maakt van de eerste fase naar de tweede, zo maakt het al rond de zevende maand een overgang ten aanzien van die gedragswijzen die het al in de baarmoeder kan uitoefenen. Vandaar dat het kind al meteen na geboorte graag de stem van z’n moeder hoort, graag gewiegd wordt (in de baarmoeder deinde het voortdurend op moeders ademhaling mee), graag wordt ingebakerd (vooral de laatste weken werd het in de baarmoeder behoorlijk krap), enzovoort.
In de ontwikkelingsfase tussen 4 en 8 maanden grijpt het kind naar wat het binnen handbereik ziet, kijkt het kind naar het lichaamsdeel waar het wordt aangeraakt (als het daar aanvankelijk niet naar keek), bezorgt het zichzelf een pleziertje door bijvoorbeeld een voorwerp met z’n blik te zoeken als het uit z’n hand is gevallen (terwijl het in die gevallen voordien afhankelijk was van z’n omgeving), probeert het door te duwen en te schoppen een eind te maken aan iets dat het onprettig vindt, gelooft het dat het door totaal te bewegen iets leuks tevoorschijn kan wekken (het gelooft in magische beïnvloeding) en ervaart het zich als een betrokken zijn in de werkingen en taferelen van dat moment (namelijk doordat het actief iets met z’n handen voor elkaar kan krijgen of z’n blik op een lichaamsdeel kan richten als het daar wordt aangeraakt). Deze vermogens zijn mogelijk doordat de gedragswijzen die in de vorige fase los van elkaar stonden, nu twee aan twee met elkaar een systeem vormen.
In de ontwikkelingsfase tussen 8 en 12 maanden verwijdert het kind een hindernis als die tussen z’n hand en het voorwerp dat het wil pakken komt, gaat het het ene voorwerp (bijvoorbeeld mama’s hand) zien als een middel om iets anders voor elkaar te krijgen, ontdekt het regelmaat in z’n directe omgeving, krijgt het daarom scheidingsangst als een vertrouwd iemand weg lijkt te gaan, krijgt het angst voor een vreemde als die hem te snel te na komt, wil het een favoriete voorwerp om troost en veiligheid te bieden (de zogeheten kroel), gaat het ‘Da, da, da’, ‘Tlè, tlè, tlè’ en andere regelmatige brabbels maken, ervaart het zichzelf als een soort centrum vanwaaruit z’n omgeving opzettelijk en gericht (in plaats van via magische beïnvloeding als in de vorige fase) in actie gebracht kan worden en denkt het dat een verdwenen persoon of voorwerp dat het enkele keren op plaats A heeft teruggevonden, zich altijd op A bevindt ook als het heeft gezien dat het de laatste keer op plaats B is verdwenen (het zogeheten vertrouwde-plek-verschijnsel). Deze vermogens zijn mogelijk doordat de vermogens van de vorige fase met elkaar worden samengesteld; bijvoorbeeld, in plaats van één keer te grijpen, grijpt het nu twee keer, onder meer om eerst een hindernis te verwijderen en daarna om het eigenlijke doel te pakken.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan infostichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘Omstanders’:
Om de zoveel tijd vernemen we van het omstandersverschijnsel: een menigte kijkt toe hoe iemand in een Amsterdamse gracht verdrinkt; voorbijgangers grijpen niet in bij een slachtoffer van zinloos geweld. Dit verschijnsel is in 1964 voor het eerst beschreven door de journalist Martin Gansberg in de New York Times van 27 maart 1964. De verklaring voor het omstandersverschijnsel vanuit de zelfkennistheorie is natuurlijk niet dat bij een gebeurtenis steeds vooral het uitschot van de aarde is vertegenwoordigd, maar gaat terug naar de operaties van die 3 fasen die zich voor het eerst in een mensenleven tussen 3 en 8 jaar manifesteren en bij een indringende gebeurtenis weer aan de oppervlakte komen.
In de eerste fase, die voor het eerst rond 3, 4 jaar verschijnt, wordt men overweldigd door het gebeurde: men geeft geen uiting aan de gevoelens waardoor men zich overmand voelt en men komt al helemaal niet in actie – men staat als aan de grond vastgenageld, inwendig en uitwendig.
De tweede fase verschijnt voor het eerst rond 5, 6 jaar, dus in de kleuterleeftijd. Dan geeft men expressie aan datgene waardoor men zich overweldigd voelt.
Pas in de derde fase, die voor het eerst rond 7, 8 jaar tot stand komt, gaat men over tot gerichte actie.
Omstanders bij een aangrijpend drama storten van het ene moment op het andere in die eerste fase en worden daardoor ongewild en onbedoeld tot machteloze toeschouwers. Als het drama maar lang genoeg zou duren, zou dat anders zijn want dan zouden ze alsnog via fase twee in de derde fase terechtkomen en dus alsnog gericht handelen: hulp bieden of halen, zich min of meer organiseren met andere omstanders, enzovoort.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan infostichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘Biologie en wetenschapsleer’:
Bespreking van Stemerdings proefschrift Plants, animals and formulae (1991).
Twee wetenschapstheorieën worden naast elkaar gehouden in het licht van de geschiedenis van de biologie: die van Latour en die van Foucault. Aan bod komen onder meer het werk van de Zweed Linnaeus en van de Fransen Buffon en Cuvier. Daarbij passeren onderwerpen als pistachenoten, familiegelijkenissen, spechten en boomkruipes de revue. Al met al slaat de balans volgens Stemerding uit in het voordeel van Latour. Voor de recensent echter schieten zowel Latours als Foucaults wetenschapstheorie op enkele punten tekort en behoeven ze beide aanvulling vanuit de genetische epistemologie: wetenschappelijke ‘middelen’, waar Latour de nadruk op legt, hebben altijd een basis in ons psychologische operaties. Bijvoorbeeld, ook een biologische classificatie rijst niet uit zichzelf uit de feiten op maar heeft een aanleiding nodig om ontworpen te worden terwijl een nieuwe classificatie altijd gedragen wordt door een nieuw inhoudelijk idee; zie de beroemde classificatie van Linnaeus in Systema naturae (1735). Bij planten zijn daarin de stampers en meeldraden het uitgangspunt voor de classificatie, terwijl bij dieren onder meer het hebben van melkklieren hem ertoe bracht om viervoeters en walvisachtigen in één klasse onder te brengen – voordien werden walvisachtigen veelal met vissen en slangen onder de voetlozen geordend.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan infostichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.