Struktuur en genese, 1995 (vol.8)

Struktuur en genese, 1995 (vol.8)

Inhoudsopgave
Ewald Vervaet, Tussen kennis en schijnkennis, p.4-13.
Ewald Vervaet, Literaire personages, p.14-15.
Ewald Vervaet, Het ontstaan van het zelfgevoel – II, p.16-38.

—————

Samenvatting van ‘Tussen kennis en schijnkennis’ (de delen I en II zijn eerder verschenen in Skepter, maart 1995, p.19-22):
In het demarcatievraagstuk tracht men veelal inhoudelijke criteria op te stellen om te kunnen onderscheiden naar kennis en schijnkennis. Wetenschapshistorisch blijken inhoudelijke demarcatiecriteria echter zeer problematisch te zijn. Immers, vanuit geocentrisch denkkader is Copernicus’ heliocentrische hypothese volslagen onzinnig en dus pseudowetenschappelijk. Nodig is dus een theorie die formele (en geen inhoudelijke) criteria aanlevert. Vooralsnog is de onderzoekscyclus daartoe de meest geschikte kandidaat. Immers, a. Die cyclustheorie is voor diverse onderwerpen feitelijk aangetoond (in plaats van een theorie gebleven zoals bij de meeste wetenschapsfilosofische kentheorieën het geval is; en b. De cyclustheorie gaat nu juist over kennisverwerving, los van de inhoud van wat voor kennis dan ook. (De punten a en b golden al in 1995, maar gelden op 5 juni 2005, wanneer deze samenvatting op internet verschijnt, eens te meer zo; zie Struktuur en genese, 1997: in de samenvatting van ‘Is de onderzoekscyclus zelfgeldig?’ staan vele verwijzingen.)
I. We beginnen met de uitleg van de onderzoekscyclus aan de hand van een voorbeeld van alledaagse kennis. De cyclus bestaat uit drie stappen. Sil vindt z’n zwemkaart niet in het zijvakje van z’n badtas, waar ie die kaart gewoonlijk bewaart: dat is iets opmerkelijks dat om een verklaring vraagt – stap 1. Hij kijkt in de tas en vindt niets: verklaringspoging 1 ‘M’n kaart zit in de tas’, maar die verklaringspoging moet ie onmiddellijk verwerpen. Dan rolt ie z’n handdoek uit en hij vindt inderdaad z’n zwemkaart: verklaringspoging 2 ‘M’n kaart zit in m’n handdoek’ wordt aanvaard.
II. De demarcatiecriteria die uit de onderzoekscyclus voortvloeien, zijn de drie stappen eruit. Dat wil zeggen, als iemand erop aanspaak meent te kunnen maken dat hij/zij geldige en betrouwbare kennis heeft gevonden, dan moet hij/zij drie vragen kunnen beantwoorden: a. Wat wilt u verklaren? b. Hoe ziet uw verklaringspoging eruit? c. Welk empirisch materiaal pleit voor die verklaringspoging? Deze drie formele demarcatiecriteria worden vergeleken met drie inhoudelijke demarcatiecriteria:
A. Strijdigheid met wat wetenschappelijk al bekend is. Dit criterium is ongeldig: als men het wel zou aannemen, zou elke wetenschappelijke vernieuwing per definitie uitgesloten zijn.
B. Een verklaringspoging (hypothese of theorie) zou uitzonderlijke voorspellingen moeten doen. Ook dit criterium geldt niet: een verklaringspoging moet slechts voorspellen dat, indien zij klopt, zus en zo waar te nemen zal zijn. Als ze meer doet omdat ze uitzonderlijke waarnemingen voorspelt, is dat mooi maar nodig is dat niet.
C. De empirie zou een beslissing kunnen forceren. Ook dit criterium dient helaas verworpen te worden: was het maar waar dat de empirie eenduidig zou ‘spreken’! Wat voor de één tegen verklaringspoging V pleit (hij concludeert dus ‘V is verworpen’), is voor de ander een opmerkelijk iets ten opzichte van een nog steeds houdbaar geachte verklaringspoging V, dat echter nog om een verklaring vraagt.
III. Vanuit de drie demarcatiecriteria a, b en c van II kunnen kritici wetenschappers en anderen die verdachte aanspraken maken, bevragen: a. Is er wel iets te verklaren? b. Is er een verklaringspoging in het spel? c. Wat pleit er voor die verklaringspoging? Vanuit deze drie criteria wordt een veertigtal genezingsaanspraken van Jomanda bevraagd. Ze blijken allemaal onhoudbaar te zijn aangezien ze niet voldoen aan één of twee van de drie criteria. Tot zover zou er niets aan de hand hoeven zijn. Maar Jomanda weet dit allemaal en houdt, zonder ook maar met het minste bewijs te komen, toch vol dat ze Mieke Decatte, die blind geweest zou zijn, het licht heeft geschonken; enzovoort voor alle overige 39 aanspraken.
IV. Tegenwerpingen tegen I-III worden ontkracht.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan infostichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘Literaire personages’ (eerder verschenen in Kunst en wetenschap, zomer 1995, p.25v):
In een literair werk doen, denken, voelen enzovoort de personages van alles en nog wat. Daar kan iets autobiografisch achter zitten, maar ook iets algemeen menselijks. In het tweede geval wordt vaal een Freudiaans duidingskader genomen. Freud zelf is daar al mee begonnen, bijvoorbeeld in zijn hoofdwerk De droomduiding interpreteert hij Hamlet vanuit het Oedipuscomplex. In dit artikel geldt een ander interpretatiekader, namelijk dat van de zelfkennistheorie van het proefschrift van de schrijver, Strukturalistische verkenningen in kennisleer en persoonlijkheidsleer (1986).
Als Sofie uit De wereld van Sofie van Jostein Gaarden zich naar aanleiding van een anoniem briefje met daarop de vraag ‘Wie ben jij?’ zich voor een spiegel bekijkt, dan blijken haar reacties geduid te kunnen worden in het licht van de fase van het lichaam-geest-zelfgevoel, die zich bij het kind voor het eerst rond een jaar of elf manifesteert. Sofie vraagt zich namelijk af hoe ze zelf vindt dat ze eruit ziet en wat anderen van haar uiterlijk vinden. Ze verbindt dus het lichamelijke van haar spiegelbeeld aan de oordelen van zichzelf en van anderen.
Dezelfde fase komt voor bij Hans Castorp uit De toverberg van Thomas Mann, maar dan op een heel andere manier. Hans vraagt zich af wat z’n hartkloppingen te betekenen hebben, oftewel hij tracht het lichamelijke van die hartkloppingen te vertalen naar het psychische van de persoonlijke betekenis daarvan.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan infostichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘Het ontstaan van het zelfgevoel – II’:
In de ontwikkelingsfase tussen 12 en 15 maanden gaat het kind variëren op de regelmaat van de fase tussen 8 en 12 maanden (zie Struktuur en genese, 1994). Ook gaat het aandachtscontact met z’n directe omgeving maken. Dat wil zeggen, in het fysieke contact dat in de fase tussen 4 en 5 maanden is ontstaan (zie eveneens Struktuur en genese, 1994), verwerft het kennis over de buitenwereld – objectieve kennis maar ook kennis over z’n sociale omgeving – door personen en voorwerpen aan te raken en er anderszins direct fysiek contact mee te hebben. In aandachtscontact kan het echter ook zonder dat directe fysieke contact kennis over de buitenwereld verwerven. Dat gebeurt bijvoorbeeld in het wijzen en in het vermogen om naar afbeeldingen te kijken. Op grond van variëren en aandachtscontact ontstaan de volgende vermogens:
naast het regelmatige brabbelen als in een monotoon ‘Dadadada’ van de fase tussen 8 en 12 maanden, ontstaat het onregelmatige brabbelen als in ‘Dadanè’, met een klemtoon op het eerste ‘da’: het kind varieert zowel naar klank (‘nè’ in plaats van ‘da’) als naar klemtoon;
klanknabootsingen als ‘Woef’ (bij een hond), ‘Piep, piep’ (bij een vogel) en ‘Tik-tak’ (bij een slingeruurwerk); doorgaans neemt het kind de klanknabootsingen van z’n omgeving over maar noodzakelijk is dat niet – Keesje bijvoorbeeld benoemt honden met een hoog ‘Ie, ie, ie’, vermoedelijk naar aanleiding van het feit dat ie een jankende hond die geslagen was;
het ontdekken van de derde dimensie; het kind gaat willens en wetens staan (en niet louter om z’n spieren te gebruiken bij het strekken van z’n benen) en lopen; het heeft daarbij echter een steunpunt in de buitenwereld nodig (de rand van een bed, andermans hand) – het gesteunde staan en het geleide lopen;
het gaat kasten en dergelijke open maken omdat het weet dat er achter deuren dingen kunnen zitten, die z’n interesse zouden kunnen hebben;
het gaat ‘emotioneel bijtanken’ – dat wil zeggen, op iemands (doorgaans mama’s) schoot gezeten ziet het wat interessants in de kamer en wil het daarheen; na een poosje is het interessante er vanaf en/of wordt mama weer interessant zodat het op schoot wil zitten; vanaf die plek overziet het de kamer weer beter en ontdekt het weer wat interessants, enzovoort;
het ervaart zich nu als iemand die iets leuks in gang kan zetten, door bijvoorbeeld langs opa voorbij te kruipen en net zolang naar hem achterom te kijken tot deze van z’n stoel opstaat om kruip-krijgertje te spelen;
het hebben van een half lichaamsbeeld – het kind stemt z’n twee handen bijvoorbeeld niet op elkaar af als het een boek wil open maken: het wil met de ene hand dat boek open maken, terwijl het het boek met de andere hand dichtklemt omdat het dat niet bij de rug maar bij de open zijde van het boek vasthoudt; of het houdt één hand aan de rand van een kastlade terwijl het die lade met de andere hand dichtdoet, waardoor de eerste hand klem komt te zitten en het kind zichzelf pijn doet.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan infostichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.