Struktuur en genese, 2000 (vol.13)

Struktuur en genese, 2000 (vol.13)

Inhoudsopgave
Ewald Vervaet, Het ontstaan van het zelfgevoel – VI, p.4-58.

—————

Samenvatting van ‘Het ontstaan van het zelfgevoel – VI’:
In de ontwikkelingspsychologische fase tussen 26 en 31 maanden ontstaat het representeren. Dat wil zeggen, vanaf de fase tussen 18 en 22 maanden zijn er woorden en andere mentale beelden, maar die zijn gebonden aan het directe contact dat het kind ergens mee heeft: het ziet een trein en zegt ‘Trein’; het doet alsof het slaapt en zegt ‘Slapen’; het vangt het woord ‘aap’ op en gaat z’n speelgoedaap zoeken; enzovoort; zie Struktuur en genese, 1998. Dat is ook nog zo in de fase tussen 22 en 26 maanden, maar dan geldt het voor twee of meer mentale beelden tegelijkertijd; zie Struktuur en genese, 1999.
In de huidige fase, dus tussen 26 en 31 maanden, wordt de binding van woorden en andere mentale beelden aan directe waarnemingen en directe handelingen overstegen, en wel op twee manieren. In de eerste plaats kan het kind nu iets vertellen over wat in het recente verleden is gebeurd; zo vertelt Isa uit zichzelf dat ze in een bolderkar heeft gezeten en dat Aukje die heeft getrokken – dat was enkele dagen terug om te kijken naar haar ouders die aan een hardloopwedstrijd deelnamen. En in de tweede plaats kan het nu iets meedelen over z’n psychologische innerlijk; Ieke bijvoorbeeld zegt over een beker: ‘Vind ik een leuke beker’, terwijl ze voordien over iets dat ze leuk vond ‘Ieke hebben’ en dergelijke zei.
Zowel met het verleden als met het psychologische innerlijk is immers geen direct contact mogelijk. Dit alles nu noemen we representeren, naar het Franse woord ‘représenter’ dat letterlijk ‘weer tegenwoordig maken’ betekent. Isa vertelt immers nu over het in de bolderkar zitten van toen terwijl er in haar directe omgeving geen bolderkar is en ook niets is dat haar aan een bolderkar doet denken.
Het representeren maakt allerlei vermogens mogelijk, zoals het onderscheiden naar enkel- en meervoud (in de twee vorige fasen waren ook 100 schapen ‘schaap’), het gebruik van de lidwoorden ‘de’ en ‘een’, het gebruik van verkleinvormen als ‘huisje’, ‘zonnetje’ en ‘bloempje’ (naast ‘huis’, ‘zon’ en ‘bloem’ van de twee vorige fasen), het gebruik van de eerste persoonlijke voornaamwoorden zoals ‘ik’, ‘jij’, ‘hij’, ‘het’, ‘wij’, ‘jullie’ en ‘zij’ (als in ‘zij fietsen’), de eerste vervoegingen zoals ‘ik speel’, ‘jij speelt’ en ‘wij spelen’, het eerste gebruik van de verleden tijd zoals in ‘Ben in de bolderkar geweest’ en ‘Aukje heeft tokken’ (voor ‘getrokken’), het gebruik van de modale hulpwerkwoorden zoals ‘willen’, ‘mogen’, ‘moeten’ en ‘kunnen’ (‘ik wil fietsen’, ‘jij mag dat niet pakken’), de eerste vraagwoorden zoals ‘wat?’, ‘wie?’, ‘waar?’ en ‘hoe?’ (in de vorige fase vroeg het kind ‘Is dat?’ voor ‘Wie/wat is dat?’ van nu), de eerste kleurnamen en andere bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden (zoals in ‘de grote trein’, ‘de blauwe auto’ en ‘papa eet lekker’), het gebruik van de eerste voorzetsels (zoals in ‘in de kast’, ‘op de stoel’), het maken van een inlegplank door stukken die ondersteboven tegelijkertijd 180 graden om te draaien én naar het desbetreffende gat in de inlegplank te brengen (in de vorige fase maakte het kind deze bewegingen achter elkaar in plaats van gelijktijdig), het afschroeven van de dop van een fles, het leggen van fiches in vakjes (in plaats van, zoals voordien, op de lijnen van een spelbord), het af en toe heel globale inkleuren van een vakje (in plaats van, zoals vanaf ongeveer 12 maanden, louter over de hele kleurplaat krassen), in het verwijzen naar iets recents (in plaats van, zoals in de twee vorige fasen, slechts naar iets in het heden), de te late reactie in de knikkerproef (het kind probeert – geheel contraproductief – de knikker die in een knikkerspel rolt, tot stilstand te brengen door een vinger op een baan te leggen als de knikker voorbij is!), het versnellen van een hand om de knikker die in een knikkerspel rolt, op de eerste baan in te halen om hem alsnog te kunnen pakken (in de vorige fase ging het kind met constante snelheid tevergeefs achter de knikker aan), het weergeven van wat er in het kind zelf omgaat (‘Ik ben bang’, ‘Ik wil een ander spelletje’, een verbaasd ‘Hee!’) en het weergeven van het recente verleden (‘Ik ben bij opa geweest’).

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan infostichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.