Struktuur en genese, 2001 (vol.14)

Struktuur en genese, 2001 (vol.14)

Inhoudsopgave
Ewald Vervaet, Intelligentie en de erfelijkheid-omgeving-kwestie, p.4-58.

—————

Samenvatting van ‘Intelligentie en de erfelijkheid-omgeving-kwestie’:
Al sedert Aristoteles (384-322 v.C.) woedt er een discussie over de herkomst van de intelligentie, en niet pas sedert de Engelsman Galton (1822-1911) zoals doorgaans wordt gesteld. Wel komen Galton drie verdiensten toe: hij heeft de erfelijkheid-omgeving-kwestie een nieuwe naam gegeven, namelijk het nature-nurture-debat (naar een voorstel van dr. E. Brand in het Nederlands goed te vertalen met het erfelijkheid-erfgoed-debat); zoals we hieronder zullen zien, heeft hij zowel een nieuwe benadering als een nieuwe methode in de kwestie geïntroduceerd.
Historisch gezien zijn er vijf antwoorden op de vraag naar de bron van de intelligentie en drie methodes. We beginnen met de vijf antwoorden. Het eerste is ‘Intelligentie is erfelijk bepaald’. Het werd voor het eerst door Plato (427-347 v.C.) gegeven. Zijn leerling Aristoteles antwoordde echter: ‘Intelligentie komt uit de omgeving’ – het tweede antwoord. Vele eeuwen wisselden de posities ‘erfelijkheid’ en ‘omgeving’ stuivertje, al voerde de eerste meestal de boventoon. Pas vanaf 1865 is er een derde antwoord, dat van de kwantitatieve plus-benadering in de lijn van Galton: intelligentie is voor een deel erfelijk en voor een deel door de omgeving bepaald. Daarbij zou het er vooral om gaan uit te vinden hoe groot elk van de delen zou zijn. Het vierde antwoord komt van de Oostenrijker Freud (1856-1939): intelligentie, in Freuds geval toegespitst op zelfkennis, is inderdaad deels erfelijk en deels vanuit de omgeving bepaald, maar daartussen bestaat een kwalitatieve relatie. Vandaar dat het vierde antwoord aan te duiden is als de kwalitatieve plus-benadering. Sedert 1937 is er nog een vijfde antwoord, de wisselwerkingsbenadering van de Zwitser Piaget (1896-1980). Het zou niet of-of (zoals sedert Aristoteles tot Galton) en ook niet en-en zijn (zoals in de kwantitatieve en in de kwalitatieve plus-benaderingen), maar erfelijkheid en omgeving zouden met elkaar wisselwerken in het doen ontstaan van de intelligentie. Hierin betekent ‘wisselwerking’ zoveel als ‘elkaar beïnvloeden’. Zo is een kind dat met blokken speelt in wisselwerking met die blokken: het maakt er torens, poorten en dergelijke mee en omgekeerd dragen de blokken eraan bij dat z’n ideeën over de driedimensionale ruimte en de zwaartekracht veranderen. Evenzo verkeert een konijnenfokker in wisselwerking met konijnen en een taalkundige met één of meer talen.
Welke van de vijf antwoorden of theorieën is houdbaar? Om dat uit te maken blijken er drie methodes ontwikkeld te zijn. De eerste is de filosofische methode: men is met elkaar in debat en in feite zou men met woorden en redeneringen moeten beslissen wie er gelijk heeft. Tot 1865 was dit de enige methode. Deze heeft het debat niet tot een eind gebracht. Met Galtons plus-benadering van dat jaar kwam er een tweede methode bij: niet woorden en redeneringen maar statistische berekeningen zouden de verlossing moeten brengen. Kennelijk heeft ook de statistische methode niet het laatste woord gehad want de vijfde benadering die in 1937 is opgekomen, bracht een derde methode met zich mee: de wisselwerkingsman Piaget trachtte de vier andere antwoorden uit te schakelen langs ontwikkelingspsychologische weg.
Allemaal goed en wel, maar welke van deze drie methodes is de juiste? Sterker nog, theoretisch zitten we nu met vijftien combinaties van vijf theoretische benaderingen en drie methodes. Welke van de vijftien is de juiste? We moeten een keuze maken – ook in de wetenschap is daar niets mis mee, als men die keuze maar logisch kan verdedigen en feitelijk kan aantonen. Welnu, ik kies voor het vijfde antwoord (‘wisselwerking’) en de derde methode (‘ontwikkelingspsychologie’). Ik leg uit waarom. Ten eerste, de filosofische methode schiet te kort om een antwoord te geven op een vraag die feitelijk van aard is. In plaats van woorden en redeneringen moeten er empirische feiten aan te pas komen. Gaat de statistische methode ons daarom uit ons lijden bevrijden? Nee, want die stelt rekenen hoger dan inzicht terwijl we wel iets willen begrijpen, namelijk waar onze intelligentie vandaan komt. Berekeningen zullen echter nooit inzicht opleveren als ze niet zelf op een deugdelijk inzicht gebaseerd zijn. Dat was ten tweede. Ten derde, we kunnen ons twee zaken afvragen. a. Wat blijkt er kort na geboorte van erfelijk bepaalde intelligentie – als die bepaling al geheel of, zoals in de plus-benaderingen, gedeeltelijk erfelijk zou zijn? b. Kan men kennis zomaar uit de omgeving bijbrengen – alweer als intelligentie geheel of gedeeltelijk door de omgeving bepaald zou zijn? Deze twee vragen brengen ons dus naar de ontwikkelingspsychologie: we gaan naar het kind in z’n eerste levensjaren kijken om te zien of we in zijn intelligentie iets erfelijks kunnen vinden en om te proberen hem van buiten af kennis bij te brengen. Klik hier voor een korte beschrijving van de psychologische ontwikkeling in de eerste drie levensjaren.
Aldus bekijken we allerlei niet-ontwikkelingspsychologische antwoorden vanuit ontwikkelingspsychologische feiten, en wel in historische volgorde. Daarbij heb ik ernaar gestreeft intelligentie zo breed mogelijk aan bod te laten komen. Dat wil zeggen: tijd- en ruimtebesef, zelfkennis, zelfervaring, taalverwerving en sociale intelligentie komen in elk geval aan bod. Bij de concrete antwoorden hieronder staat tussen haakjes de familie waartoe het betreffende antwoord hoort: ‘E’ voor erfelijkheid, ‘O’ voor omgeving, ‘E+O’ voor kwantitatieve plus en ‘E en O’ voor kwalitatieve plus. De behandelde antwoorden zijn:
we brengen ons ideeën weer te binnen – Plato (E);
waarnemingen drukken een stempel af – Aristoteles (O);
heldere en welonderscheiden gedaches – Descartes; in een uitvoerige noot wordt Leibniz’ theorie van de vooraf vastgelegde harmonie besproken, die in het verlengde van Descartes’ theorie ligt (E);
ideeën meubileren een leeg kabinet – Locke (O);
de natuurlijke mens – Rousseau (E);
apriori kennis van ruimte en tijd – Kant (E);
voorouderlijke erfelijkheid – Galton en Pearson (E+O, maar Galton zelf verwoordde veel meer een +-benadering binnen E);
aangeboren constitutie en toevallige belevingen – Freud (E en O);
archetypische gedrags- en belevingswijzen – Jung (E);
geconditioneerd tot angst – Watson en het klassieke conditioneren (O);
klassieke gedragsgenetica – Fisher (E+O);
het Zelf wordt uit de sociale omgeving geïmporteerd – Mead (O);
taal als verbaal gedrag – Skinner en het operante conditioneren (O);
levensopdrachten worden erfelijk bepaald, maar de omgeving bepaalt de uitkomst – Erikson (E en O);
erfelijkheid + omgeving + wisselwerking – moderne gedragsgenetica (E + O);
aangeboren taalverwervingssysteem – Chomsky (E);
observationeel leren – Bandura (O).
Al met al blijken er geen twee concepten, ‘erfelijkheid’ en ‘omgeving’, in het spel te zijn, maar vijf:
a. ‘Erfelijkheid’ is een onmisbare voorwaarde;
b. ‘Omgeving’ is eveneens een onmisbare voorwaarde;
c. ‘Wisselwerking’, namelijk tussen het erfelijke en hetgeen daarop steunt, en omgeving, is de doorslaggevende factor;
d. Uit ‘erfelijkheid in wisselwerking met omgeving’ komen eerst een neurologische en daarna een psychologische structuur tot stand, namelijk de primaire circuits die vanaf een week of vier onder meer in het staren, het blijven knijpen en het vocaliseren tot uiting komen, maar ook al meteen na geboorte in de borstcrawl, in het graag gewiegd worden en dergelijke;
e. Bij voortgaande wisselwerking tussen het kind dat met primaire circuits is toegerust, en z’n omgeving, komt rond een maand of vier een nieuwe psychologische structuur tot stand, namelijk de eenzijdige secundaire circuits; enzovoort met de tweezijdige secundaire circuits vanaf acht maanden, de eenzijdige tertiaire circuits vanaf twaalf maanden, enzovoort. Na het vierde concept, ‘structuur’, is het vijfde concept kennelijk ‘ontwikkeling’.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan infostichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.