Struktuur en genese, 2010 (vol.23)

Struktuur en genese, 2010 (vol.23)

Inhoudsopgave
Struktuur en genese, 2010 (vol.23):
Ewald Vervaet, De eigenhandige versie van De heilige Hiëronymus met een engel, p.4-7.
Ewald Vervaet, Nu en de oudheid over kinderen, p.8-17.
Ewald Vervaet, Van driestapsproces naar in elkaar grijpende, opwaarts uitdijende spiralen, p.18-32.
Ewald Vervaet, Onderzoek en serendipiteit, p.33-42.
Ewald Vervaet, ‘Pseudologia phantastica’, p.43-46.

—————

Samenvatting van ‘De eigenhandige versie van De heilige Hiëronymus met een engel’:
Er bestaan twee versies van ’t schilderij De heilige Hiëronymus met een engel van Anthonie van Dijck (1599-1641). ’t Ene hangt in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam en ’t andere in ’t Nationalmuseum in Stockholm. Lange tijd is gedacht dat ze beide van Van Dijcks hand zouden zijn. Door onderzoek in 2009 zijn echter vele relevante verschillen opgevallen, die zich maar op één manier laten verklaren: ’t Rotterdamse doek is eigenhandig en ’t Stockholmse is goeddeels door een of meer van Van Dijcks assistenten vervaardigd als kopie van de Rotterdamse variant.
Een van de verschillen is ’t feit dat ’t rood van Hiëronymus’ mantel op ’t Rotterdamse werk door de onderbenen en rechterknie van de heilige doorschijnen en op ’t Stockholmse niet. ’n Ander verschil is dat zich links van ’t hoofd van de engel ’n overgeschilderde vorm bevindt, die wellicht de schouder is van ’n grotere engel of van ’n andere compositie die hij spoedig besluit niet te voltooien. De verklaringspoging van de restaurateurs voor deze en andere opvallende verschillen luidt: ’t Rotterdamse doek is ’t originele omdat de schilder enkele malen op zoek is naar de juiste compositie en/of de juiste vorm. Er is ’n aantal feiten dat deze verklaringspoging ondersteunt, zoals de drie lagen in ’t rood van Hiëronymus’ mantel op ’t Rotterdamse doek terwijl er maar twee zijn op ’t Stockholmse: zo’n drielagig, diep intens rood wordt ook op andere doeken van Van Dijck aangetroffen.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan infostichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘Nu en de oudheid over kinderen’:
Volgens sommige ontwikkelingspsychologen, onderwijspedagogen en leken zou ’t kind zich sneller ontwikkelen dan vroeger en volgens één ontwikkelingspsycholoog (Willem Koops), die daar veel gehoor voor vindt bij de Onderwijsraad die de overheid adviseert over ’t onderwijs, zou ’t kind zelfs aan ’t verdwijnen zijn (omdat ’t ’n nevenproduct zou zijn van de uitvinding van de boekdrukkunst waarvan ’t effect door de uitvinding van televisie en internet ongedaan gemaakt zou worden).
We beschikken over flink wat beschrijvingen van ontwikkelingspsychologische verschijnselen uit de Griekse en Romeinse oudheid. Voorbeelden zijn (de antieke schrijver staat tussen haakjes; hedendaagse voorbeelden zijn te vinden in Vervaets boeken Groeienderwijs, Naar school en Het raadsel intelligentie): ’t staren vanaf 1 maand (Augustinus), de eerste glimlach vanaf 1 maand (Augustinus), kinderkamerwoordjes als ‘mama’ en ‘kaka’ (Aristofanes), angst voor vreemden en hechting vanaf 8 maanden (Homerus), kruipen vanaf 8 maanden (Aristoteles), exemplariseren vanaf 22 maanden (Aristoteles), de dreumespuberteit vanaf 26 maanden (Horatius), rolspelen vanaf 4,5 jaar (Seneca, Suetonius, Tyrannius Rufinus, Theodoret) en schoolrijpheid vanaf 6,5 jaar (Sokrates, Plato, Aristoteles, Plautus, Juvenalis, Quintilianus). Als dit soort verschijnselen al in de oudheid bestaan, kunnen ze dus niet na 1450 (kort na de uitvinding van de boekdrukkunst) zijn ontstaan. Omdat ze ook in 2010 nog bestaan, kunnen ze ook niet sedert de uitvinding van de televisie (eerste helft vorige eeuw) en van internet (eind vorige eeuw) aan ’t verdwijnen zijn. De Onderwijsraad zou er beter aan doen niet naar Koops te luisteren…
De beschrijvingen uit de oudheid bevatten doorgaans geen leeftijdaanduidingen. De weinige die dat wel doen, laten echter zien dat de ontwikkeling tegenwoordig even snel gaat als vroeger: schoolrijpheid was en is er rond 6,5 jaar, de eerste glimlach verscheen en verschijnt rond 1 maand, ’t volgen van ’n bewegend voorwerp verscheen en verschijnt rond 2,5 maand, ’t gebruik en begrip van woorden begon en begint rond 18 maanden, groepsvorming was en is er rond 10 jaar. Er is dus geen enkele aanleiding om alsmaar te proberen de ontwikkeling te versnellen of zelfs te doen alsof die versnelling al ’n feit zou zijn, waar we maar op in te spelen zouden hebben (zoals de ‘herfstkinderen’ in ’t onderwijs aan kleuters).

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan infostichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘ Van driestapsproces naar in elkaar grijpende, opwaarts uitdijende spiralen’:
De wijze waarop kennis en vaardigheden tot stand komt, wordt in vier stappen steeds adekwater voorgesteld. In die vier stappen betrekken we niet alleen de ontstaanswijze als proces maar ook de inhoudelijke kennis en vaardigheden. We laten dit zien voor alledaagse (dat wil zeggen, niet-specialistische) kennis en vaardigheden.
In eerste benadering geschiedt ontdekken (van kennis en vaardigheden) als ’n driestapsproces. Dat wil zeggen, als Peter gewoonlijk zijn portenmonnee in zijn linkerbroekzak heeft, is dat zijn achtergrondkader dat hij houdbaar acht.. Als zijn portemonnee bij ’n loket niet op die plaats zit, is dat ’n verrassing. Die verrassing tracht hij te verklaren, bijvoorbeeld met ‘m’n portemonnee zit thuis in ’n andere broek’. Dit is zijn verklaringspoging. Hij belt naar huis en jawel: zijn vrouw bevestigt dat zijn portemonnee in die andere broek zit. Dit is de verankering. De drie cognitief-psychologische stappen hierzijn zijn dus: verrassing –> verklaringspoging –> verankering, ’t driestapsproces. ’n Voorbeeld van ’t driestapsproces is de ontdekking van Gerrit Gunnink in 2009 dat Pieter Hoppen, die in 1943 was geliquideerd op verdenking van collaboratie met de nazi’s, onschuldig was.
In tweede benadering geschiedt ontdekken als ’n cyclisch proces. Dat wil zeggen, vroeg of laat doet zich ten opzichte van ’n verankerde verklaringspoging (kortweg ‘verklaring’) ’n nieuwe verrassing voor. We kunnen dat ’n verrassing van de tweede orde noemen. Ook zij wordt gevolgt door ’n verklaringspoging (namelijk eveneens van de tweede orde) en die weer door ’n verankeringsproces (van de tweede orde). Enzovoort met derde, vierde en volgende ordes. Dit cyclische proces noemen we de onderzoekscyclus. Voorbeelden van de onderzoekscyclus zijn de ontdekking door Columbus en Vespucci van Amerika en de ontdekking van de vierjarige María Paula dat haar naam wel ‘ns als MAIA PUL geschreven zou kunnen worden.
Hebben we ons bij de eerste en tweede benadering op procesvlak bewongen, in de derde en vierde benadering gaan we naar ’t inhoudelijke vlak. De onderzoekscyclus blijkt namelijk naar de inhoud van kennis ’n opwaarts uitdijende spiraal te zijn: er komt van cyclus naar cyclus steeds meer en steeds betere kennis (inzichtelijke en/of praktische) tot stand. Voorbeelden hiervan zijn de ontdekking van Renée Vervoorn in 2003 dat haar echtgenoot ’n pathologisch leugenaar is, de ontdekking in 1560 dat degene die zich in 1556 als Martin Guerre uitgeeft Martin Guerre niet is en de ontdekking van Roel van Duijn in 2005 en 2007 wie zijn ontvoerders van 1970 waren.
In vierde benadering blijkt dat de opwaarts uitdijende spiralen in elkaar grijpen, dat ze zich geregeld in twee of meer kenvelden splitsen en dat twee of meer kenvelden ook geregeld samengaan. Hier geven we ’n wetenschappelijk voorbeeld van: licht, elektriciteit en magnetisme zijn in de oudheid afzonderlijke kenvelden die zich hebben afgesplitst van ’n blauwe lucht met witachtige wolken (in ’t geval van ’n regenboog), van ’n stille atmosfeer zonder lichtflitsen (in ’t geval van onweer) en van niet-magnetische stenen (in ’t geval van magnetisme), maar sedert 1820 (Oersted) vormen elektriciteit en magnetisme één kenveld, namelijk ‘elektromagnetisme’, en sedert Hertz’ natrekken in 1887 van Maxwells voorspelling van 1873 vormen elektromagnetisme en licht één kenveld.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan infostichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘Onderzoek en serendipiteit’:
Volgens Pek van Andel is serendipiteit ‘de kunst van ’t maken van ’n ongezochte vondst’. Aan de hand van vele voorbeelden wordt aangetoond dat serendipiteit ’n werkelijk bestaand verschijnsel is. Veel van die voorbeelden laten echter ook zien dat ’t serendipiteitsbegrip voor ’t beschrijven van de totstandkoming van (wetenschappelijke) kennis enkele lacunes vertoond: ’t is geformuleerd voor één persoon (terwijl alleen in ’t gecombineerde werk van Columbus en Vespucci sprake is van iets serendipiteus in de ontdekking van Amerika) en ’n serendipiteuze vondst berust op ’n vermoeden dat meteen houdbaar is (terwijl er ook vele vermoedens zijn die niet houdbaar zijn en ook alleen te beoordelen zijn in ’t licht van één of meer voorafgaande onhoudbare vermoedens). Die lacunes worden in de onderzoekscyclus (… –> verrassing –> verklaringspoging –> verankering –> verrassing –> …; zie ’t vorige artikel) verklaard en dus opgevuld. ’t Serendipiteitsbegrip vormt al met al dus ’n onderdeel van de onderzoekscyclus.
Van serendipiteit en van die opgaan in de onderzoekscyclus worden vele voorbeelden gegeven, zoals ’t sprookje De drie prinsen van Serendip, Voltaires bewerking hiervan, De hond en ’t paard, de twee serendipiteuze voorbeeld van Walpole (de ontdekker van ’t verschijnsel serendipiteit), de ontdekking van Amerika, de ontdekking van röntgenstralen, de ontdekking van de zuiger, de ontdekking door Picasso van zijn blauwe periode, de ontdekking van koffie, de ontdekking door Newton van de zwaartekrachttheorie en -wet, de ontdekking door Fleming van lysozyme en penicilline, de ontdekking door De Réaumur van de bereidingswijze van papier uit hout, de ontdekking door Blass van de druppelirrigatie, de ontdekking van AIDS en de ontdekking door Cade van de kalmerende werking van lithium.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan infostichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘”Pseudologia phantastica”’:
Mejuffrouw C.R. (geboren rond 1860) beweert onder meer dat ze de kroonprinses van Roemenië is en dat er om die reden enkele aanslagen op haar zijn gepleegd (terwijl van één wordt aangetoond dat ze die zelf in scene heeft gezet), en weet met zulke verhalen mensen ertoe te bewegen haar ‘naar haar stand’ te verzorgen en te onderhouden. In Burghölzli (Zürich, 1885) duidt men haar toestand als ‘simulatie’, maar Von Krafft-Ebing (Graz, 1886) als ‘paranoia’. Delbrück houdt beide duidingen (als verklaringspogingen voor C.R.’s merkwaardige gedragingen) deels voor houdbaar, terwijl er zich ook enkele nadelen aan beide zitten. Zijn eigen verklaring van 1891 luidt dat C.R. aanvankelijk dingen verzint, maar geleidelijkaan ’t onderscheid tussen werkelijkheid en verzinsel niet meer kan maken. Hij noemt dit ‘pseudologia phantastica’. Hij houdt ‘psychologia phantastica’ houdbaar op grond van vijf andere casussen, gevallen in de literatuur (zoals Tartarin de Tarason van Daudet) en gevalsbeschrijvingen van andere psychiaters.
De gang van C.R.’s gedragingen via ‘paranoia’ naar ‘pseudologia phantastica’ wordt beschreven met de onderzoekscyclus van de twee artikelen hiervóór.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan infostichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————————————————————————————

Laatste bewerking van deze webpagina: 8 augustus 2010.