Struktuur en genese, 1992 (vol.5)

Struktuur en genese, 1992 (vol.5)

Inhoudsopgave
Ewald Vervaet, De testpsychologie op haar retour, p.3-14.
Ewald Vervaet, Het genetische strukturalisme, p.15-18.
Ewald Vervaet, Verdringing, p.19.
Ewald Vervaet, Over kwaliteit en kwantiteit, p.20-21.
Ewald Vervaet, Erfelijk, p.22-23.
Ewald Vervaet, De ontdekking van Amerika – I, p.24-28.

—————

Samenvatting van ‘De testpsychologie op haar retour’:
Op 7 mei 1992 vond aan de Vrije Universiteit te Amsterdam tussen prof.dr. Drenth en dr. Sijtsma aan de ene kant en dr. Vervaet aan de andere kant een discussie plaats, die over de grondslag van de testpsychologie zou moeten gaan: Psychologische test-score: feit of schijnfeit?.
Één van Vervaets stellingen luidde: ‘Daar het scoren van items en het optellen van itemscores tot een totaalscore niet uit inzichtelijke psychologische verbanden voortvloeien, zijn “Jan heeft op de NPV een zelfwaarderingsscore van 37” en “Yvonnes RAKIT-IQ is 120” wel rekenkundige maar geen psychologische feiten’. Omdat een testscore die met 19 items is bepaald waarop drie antwoordmogelijkheden zijn die resulteren in 1, 2 of 3 punten, is het berekenen van iemands totaalscore gebaseerd op een formule waarin 19 getallen bij elkaar worden opgeteld. De geldigheid van die formule is echter nooit empirisch aangetoond terwijl er wel mee wordt gewerkt, namelijk als iemands totaalscore wordt bepaald.
Een andere stelling ging over de totstandkoming van geldige en betrouwbare kennis. Ze luidde: ‘De wetenschapshistorische feiten geven wel steun aan de onderzoekscyclus maar niet aan Drenths voorstelling van zaken in de uitspraak “(In de fysica) begint men met observatie en probeert men vanuit deze geobserveerde feiten te komen tot een meer algemeen geldende theorie”‘. Drenth spreekt zich dus uit vóór het bestaan van inductie. De onderzoekscyclus gaat uit van drie stappen:
a. Er doet zich iets verrassends voor, bijvoorbeeld een trilling in Karins huis rond 3u30.
b. Karin vraagt zich af of haar vriend aan hun bed staat te schudden. Dit is haar eerste verklaringspoging. Ze hoort hem rustig ademhalen en verwerpt deze verklaringspoging. Dan denkt ze: ‘Er is een vliegtuig neergestort’. Ook deze verklaringspoging verwerpt ze want ze heeft geen knal gehoord.
c. Haar derde verklaringspoging krijgt ze pas bij het horen van het ochtendnieuws op de radio: er heeft zich rond 3u30 een aardbeving voorgedaan bij Roermond. Deze verklaringspoging is dus verankerbaar: de trilling van Karins bed die nacht is op empirisch onderbouwde wijze verklaard, namelijk met die aardbeving.
Hierin heten de stappen b en c, het natrekken van een verklaringspoging door nieuwe feiten te verzamelen, samen abductie (naar Peirce, maar afgeleid van Aristoteles’ begrip ‘apagogè’).
Drenths aangehaalde bewering, die interpretatieloze waarnemingen en een daaruit voortkomende interpretatie niet uitsluit, vindt geen steun in de wetenschapsgeschiedenis van de fysica, waar hij zich dus ten onrechte op beroept, maar wordt wel toegepast in de testpsychologie en andere vormen van empiristisch-positivistische psychologie.
Drenth en Sijtsma hebben slechts uiteengezet hoe de testpsychologie werkt, maar hebben haar grondslag niet aangeroerd, laat staan gepoogd te verdedigen, laat staan met succes verdedigd.
Vanuit inductie en abductie kijkt men anders aan tegen kennisverwerving. Dat wordt geschetst voor begrippen als feit, empirie, validiteit, betrouwbaarheid, verklaren en praktijk.
Tot slot wordt aan de hand van concrete passages uit de discussie, waar een geluidsopname van is gemaakt, aangetoond dat de testpsychologie een terugtredend paradigma (of, in Lakatos’ terminologie, een degenererend onderzoeksprogramma) is:
A. Men herbevestigt de eigen positie louter verbaal, zonder nieuwe feiten toe te voegen of kritiek te weerleggen. Zo werd vijf keer verteld hoe een test werkt – de vijfde keer deed Drenth dat voor een concentratietest.
B. Men perkt de oorspronkelijke pretenties in. De pretentie om, zogenaamd net als in de fysica, vanuit tests tot een algemeen geldende intelligentietheorie te komen, perkte Drenth drastisch in toen hij zei: ‘De testpsychologie is een soort service-afdeling van de psychologie’.
C. Men ontkent anomalieën in het eigen paradigma. Drenth en Sijtsma reageerden volstrekt niet op de stelling waar Drenth zelf in voorkwam – een uitgelezen gelegenheid, zou men zeggen, om de tegenstander eens goed de oren te wassen: ‘De wetenschapshistorische feiten geven wel steun aan de onderzoekscyclus maar niet aan Drenths voorstelling van zaken […]’.
D. Men annexeert successen van voortschrijdende paradigma’s op verbale wijze. Zo annexeerde Drenth kleurenblindheidsplaten, onder meer door ze ‘kleurenblindheidstests’ te noemen alsof het broertjes en zusjes zouden zijn van IQ- en persoonlijkheidstests.
E. Men brengt uitvluchten en andere vormen van niet-inhoudelijk verbalisme naar voren. Drenth, de testpsychologie indirect met de scheikunde vergelijkend: ‘U moet zich voorstellen: een hoogleraar in de chemie wordt uitgedaagd voor een debat (als dit)’.
F. Men voert het autoriteitsargument aan. Zo noemde Drenth maar liefst achttien namen uit de geschiedenis van de testpsychologie, zoals Guilford, Eysenck, Hettema, Elshout en Bleichrodt.
G. Men speelt op de man in plaats van op de bal. Zo zou m’n kritiek volgens Drenth ‘vooralsnog betrekkelijk warrig en vooringenomen’ zijn.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan info@stichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘Het genetische strukturalisme’:
In het genetische strukturalisme staat kennisverwerving centraal en draait om de vraag of kennis is aangeboren, uit de empirie komt of fasegewijs in de interacterende kenner ontstaat. Daarbij zijn de voornaamste uitgangspunten: er is samenhang en ontwikkeling in kennis en theorie en empirie vormen een eenheid.
Het genetische strukturalisme wordt concreet verduidelijkt voor vijf onderwerpen.
a. Voor het exacte denken van kinderen, bijvoorbeeld voor het geval een vloeistof wordt overgegoten van een smal in een breed glas: is er voor het kind nog evenveel vloeistof (vanaf zeven, acht jaar) of zou die hoeveelheid zijn verminderd of vermeerderd (rond vijf, zes jaar)?
b. Voor wetenschappelijke kennis, bijvoorbeeld voor de geschiedenis van Newtons zwaartekrachttheorie: deze verwijst net als al haar voorgangsters en opvolgsters naar verrassende zaken als het bewegen van ‘dwaalsterren’ (planeten) tussen de vaste sterren.
c. Voor taal en sociale intelligentie: het psychologische opereren heeft het primaat over taal (en niet andersom zoals onder meer Chomsky stelt); de sociale intelligentie ontwikkelt zich op dezelfde wijze als het exacte denken.
d. Voor de persoonlijkheid in de zin van ‘systeem van zelfkennis’. Zelfkennis ontwikkelt zich onder meer langs deze lijn: gevoelens worden opgevat als van buiten komend –> gevoelens zijn zaken die met het lichaam in de buitenwereld tot uitdrukking gebracht kunnen worden, bijvoorbeeld in een tekening –> … –> gevoelens kunnen in een zelfkennispatroon worden gestruktureerd –> inleving in andermans zelfkennispatronen.
e. Voor psychotherapie en de integratie van psychotherapeutische en/of persoonlijkheidstheorieën. Het blijkt dat de verschillende theorieën in historisch een stamboom vormen, met Freuds kernmodel van 1893 als gemeenschappelijke wortel, terwijl ze inhoudelijk, voorzover houdbaar, zijn te vertalen naar één of meer fasen van de zelfkennistheorie.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan info@stichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘Verdringing’ (eerder verschenen in Spiegeloog, juni 1992, p.26v):
Freud omschrijft verdringing als een ‘toestand waarin men iets tegelijkertijd weet en niet weet’. Zijn patiënte Lucy R. zei bijvoorbeeld over een delicate verliefdheid: ‘Dat wist ik niet of liever: dat wilde ik niet weten. Ik wilde het uit mijn hoofd zetten en er niet weer aan denken; en ik geloof dat me dat de laatste tijd is gelukt’.
De Freudiaanse verdringing is te herinterpreteren naar de onderzoekscyclus; zie het driestappenvoorbeeld in de samenvatting van ‘De testpsychologie op haar retour’. Bijvoorbeeld, Govert heeft roodkleurige ontlasting. Dat is ‘verrassend’ ten opzichte van het feit dat ze doorgaans bruin van kleur is. Voor die rode kleur zijn ten minste twee verklaringspogingen mogelijk: ‘Ik heb bloedarmoeder’ en ‘Ik heb darmkanker’. Welnu, bij het aannemen dan wel verwerpen van deze twee verklaringspogingen spelen voor Govert zelf naast objectieve aspecten ook subjectieve een rol. Bij bloedarmoede zal hij een beduidende verkorting van zijn leven niet in overweging moeten nemen en bij darmkanker wel. En dus heeft hij er emotioneel belang bij dat hij wel de eerste ziekte heeft en niet de tweede. Allerlei symptomen zal hij daarom geneigd zijn in het voordeel van de bloedarmoede uit te leggen en in het nadeel van de darmkanker.
Het genetische strukturalisme herinterpreteert de Freudiaanse verdringing dus naar de onderzoekscyclus: men kent de verschillende duidingen, maar bij één of meer daarvan heeft men het emotionele belang dat ze niet houdbaar is. Het wetenschappelijke voordeel van deze herinterpretatie is dat men zo het misverstand vermijdt dat de geheugensporen van iets ‘verdrongens’ (tijdelijk) uitgewist zouden zijn – dat is namelijk een onmogelijkheid.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan info@stichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘Over kwaliteit en kwantiteit’ (eerder verschenen in Spiegeloog, februari 1992, p.21-23):
Onder sociale wetenschappers bestaat de opvatting dat er zoiets zou bestaan als ‘kwantiteit zonder kwaliteit’. Bij Pearson, Spearman, Guilford, Drenth, Eysenck, Cattell en vele anderen komen we uitspraken tegen die duiden op een geloof dat a-kwalitatieve kwantiteiten aan kennisverwerving zouden kunnen bijdragen. Eysenck bijvoorbeeld meent zijn stellingen hierover te kunnen onderbouwen door naar de natuurkunde te verwijzen. Met behulp van de lichtsnelheid (300.000 km/sec) zouden alle snelheden te normeren zijn op het interval [0,1]; stilstand en een snelheid van 3000 km/sec zouden zo dimensieloze getallen 0 en 0,01 zijn. Zeker, een breuk als 0,01 is dimensieloos, maar in Eysencks contekst betekent 0,01 nog steeds een aantal km/sec, namelijk 3000 km/sec. Het dimensieloze getal verwijst dus altijd naar een dimensiehebbende en dus kwalitatieve grootheid.
In de wetenschappen die het tot empirisch geldige, betrouwbare en toepasbare inzichten hebben geschopt, zoals de natuurkunde, bestaan dus geen a-kwalitatieve kwantiteiten. Dus blijft het de vraag waarop de a-kwalitatieve kwantiteiten van de positivistische psychologie op berusten en waarop het optimisme van positivistische psychologen berust dat hun a-kwalitatieve kwantiteiten wél tot empirisch geldige, betrouwbare en toepasbare inzichten zouden leiden.
Met voorbeelden uit Piagets en eigen onderzoek laat de schrijver zien hoe niet-positivistisch onderzoek in de psychologie mogelijk is en dat en waarom dat wel tot empirisch geldige, betrouwbare en toepasbare inzichten leidt.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan info@stichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘Erfelijk’ (eerder verschenen in Spiegeloog, april 1992, p.17v):
In de psychologie bestaat er een stroming, de gedragsgenetica geheten, die zich afvraagt in hoeverre een psychologische eigenschap (intelligentie, extraversie) erfelijk bepaald is dan wel vanuit de (culturele) omgeving wordt gevormd. De basale aanname is dat een erfelijk en een omgevingsaandeel aan onze psyche zouden bijdragen en dat beide aandelen bij elkaar opgeteld zouden kunnen worden, zoals in ‘Dit purper bestaat voor 35% uit blauw en voor 65% uit rood’.
De gedragsgenetica gaat via de Engelsman Galton terug op de mengerfelijkheidsleer van de Duitser Kölreuter. In 1761 kruiste hij twee soorten tabaksplant, Nicotiana rustica en Nicotiana paniculata, met elkaar. Bij de nazaten leverde dat bloemen op die kwa grootte het midden hielden tussen de bloemen van de ouderplanten. Hij achtte dit resultaat verklaard met de aanname dat het erfelijke materiaal van de ouderplanten bij hun nazaten half-om-half zijn gemengd.
Tussen 1840 en 1900 was de mengerfelijkheidsleer dominant in de biologie. Ook Darwin was er een overtuigd aanhanger van. Hij noemde in zijn ‘pangenetische theorie’ van 1868 de erfelijke deeltjes die zouden mengen, gemmulen.
Darwins oomzegger Galton vertaalde de mengerfelijkheidsgedachte in 1865 van de biologie naar de psychologie en sloot zich vanaf 1868 bij de theorie van zijn beroemde oom aan. Dat is allemaal nog in orde: het opwerpen van verklaringspogingen voor nog onbegrepen verschijnselen is nooit een slechte zaak. Het is echter geheel onjuist dat Galton zelf en anderen ook na 1900 zijn doorgegaan met formules en dergelijke die opgekomen zijn in de mengerfelijkheidsleer. Dat geldt ook voor Galtons aanhangers in 1992 (in 2005, als deze webpagina op internet verschijnt, is dat niet anders). En daar is sedert Mendels interactieve erfelijkheidstheorie beslist geen aanleiding voor. In 1900 werd Mendels theorie van 1865 herontdekt en is sedertdien – en met groot verklarend en empirisch succes – de dominante erfelijkheidstheorie in de biologie. Met name voor de optelling in allerlei formules, die dus uit de volstrekt achterhaalde mengerfelijkheidsleer afkomstig is, is geen enkele reden.
Wat de psychologie betreft, sedert 1937 is er een alternatief voor de plus van de gedragsgenetica. Piaget heeft immers laten zien dat de intelligentie zich van sensorimotorisch via pre- en concreet-operationeel tot formeel-operationeel ontwikkelt terwijl het kind in interactie is met z’n omgeving. Het is dus niet ‘erfelijkheid plus omgeving’, maar ‘erfelijkheid x omgeving’.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan info@stichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘De ontdekking van Amerika – I’:
Het heet dat Columbus op 12 oktober 1492 Amerika heeft ontdekt. Die vaststelling lijkt te spreken voor de empiristische opvatting dat kennis uit de buitenwereld bij ons, i.c. bij Columbus en zijn bemanning, via de zintuigen binnen zou komen. Columbus’ ontdekking is echter niet langs empiristische, ‘inductieve’, weg gegaan, maar langs ‘abductieve’ weg, volgens de drie stappen van de onderzoekscyclus. Die stappen zijn:
a. Ten opzichte van een achtergrondgedachte, bijvoorbeeld ‘Casper heeft een rood rugzakje mee naar het kinderdagverblijf’, doet zich iets opmerkelijks, iets onbegrepens voor, zoals ‘Caspers rugzakje is niet te bekennen in de ruimte van z’n kinderdagverblijfgroep’.
b. Voor dat opmerkelijke of onbegrepene werpt men één of meer vermoedens of verklaringspogingen op, bijvoorbeeld ‘Het rugzakje is zoekgeraakt tussen het speelgoed’.
c. Doorzoeken van het speelgoed levert echter niets op: verworpen. Het vermoeden blijkt niet verankerbaar en dus staat de vraag nog open waar Caspers rugzakje is gebleven.
b’. Bij navraag de volgende dag blijkt dat een andere ouder Caspers rugzakje heeft meegenomen omdat het ongeveer dezelfde rode kleur heeft als dat van het eigen kind.
c’. Temeer omdat Caspers spullen in dat tweede rugzakje zitten is de verklaringspoging ‘Caspers rugzakje is door een ander kind meegenomen’ empirisch houdbaar.
Columbus is in zijn ontdekking van Amerika ook volgens de onderzoekscyclus te werk gegaan. De bewering ‘Binnen bevaarbare afstand ligt er land ten westen van Europa en Afrika’ is namelijk een verklaringspoging voor ten minste zes opmerkelijke waarnemingen. Twee daarvan zijn:
1. Een stuurman had Columbus eens verteld dat hij op zo’n 2650 kilometer van de Portugese kust eens ‘een stuk hout uit zee had gevist, dat vernuftig was gekerfd maar niet met ijzer’.
2. Van bewoners van de Azoren had Columbus vernomen dat er bij langdurige westenwind pijnbomen aan land spoelden, ‘die niet op deze eilanden groeien noch elders in die streek’.
Columbus’ westelijke tocht op de Atlantische Oceaan vanaf 6 september 1492 was in kentheoretisch opzicht een poging om zijn verklaringspoging ‘Binnen bevaarbare afstand ligt er land ten westen van Europa en Afrika’ na te trekken op haar empirische houdbaarheid. Vanaf 7 oktober deden hij en zijn bemanning waarnemingen die daar vóór leken te pleiten maar in tweede instantie toch verworpen dienden te worden; op 11 oktober bijvoorbeeld zag men ’s avonds een licht ‘alsof het een kaarsvlam was’. Op 14 oktober bleek ze wel empirisch verankerbaar.
Deel II van dit artikel, over Columbus’ bijdrage van 1498 en de bijdragen van Vespucci, Balboa en Magellaan aan de ontdekking van Amerika, moet in juni 2005 nog steeds verschijnen.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan info@stichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.