Struktuur en genese, 1996 (vol.9)

Struktuur en genese, 1996 (vol.9)

Inhoudsopgave
Ewald Vervaet, Het ontstaan van het zelfgevoel – III, p.4-26.
Sicco de Jong, Meten is weten, p.26-27.
Jan Stelleman en Ewald Vervaet, De ontdekking van de kernramp bij Tsjernobyl, p.28-33.
Ewald Vervaet, Taalvoorbeelden van de onderzoekscyclus – I, p.34-38.

—————

Samenvatting van ‘Het ontstaan van het zelfgevoel – III’:
In de ontwikkelingsfase tussen 15 en 18 maanden ontstaan de volgende psychologische vermogens:
de uitkomst van de ene probeerhandeling gebruiken voor de volgende probeerhandeling – bijvoorbeeld om een groot maar plat voorwerp tussen de spijlen van de box te halen;
onder het wijzen naar iets de ander op het aangewezene attenderen in plaats van louter voor zichzelf naar iets te wijzen: het sociale in plaats van egocentrische wijzen;
het doorgaan bij een terugzoeken van een verdwenen voorwerp, ook als de eerste zoekpoging geen succes heeft; het steeds meer benaderen van een klanknabootsing;
het overnemen van de sociale omgeving van de standaardklanknabootsing – Keesje duidde in de vorige fase een hond aan met een hoog ‘Ie, ie, ie’ (zie Struktuur en genese, 1995), maar nu met ‘Waf, waf’, zoals ieder ander in z’n omgeving al altijd doet;
het zwaaien staat in het teken van weggaan en afscheidnemen en lijkt op de manier waarop anderen naar het kind zwaaien in plaats van dat het kind een eigen gebaar heeft (bijvoorbeeld ‘zwaaien’ met de vingers in plaats van met de hand en vanuit de pols);
los staan en lopen in plaats van gesteund staan en geleid lopen – ‘geleid’ dat wil zeggen: langs een rand, aan iemands hand, met een loopwagentje, enzovoort;
het stapelen van blokken tot een toren, omdat het daartoe nodig is het evenwicht te bewaren, net als in het losse lopen – in de vorige fase kon het kind geen toren bouwen, maar vond het het wel leuk om een toren om te gooien (zie Struktuur en genese, 1995);
bij het kunnen uitkiezen uit twee voorwerpen de blik eerst tussen beide voorwerpen heen en weer laten gaan in plaats van, zoals in de vorige fase, het eerste het beste voorwerp te nemen (zie Struktuur en genese, 1995);
een interesse met de ander delen door hem/haar middels sociaal wijzen (zie boven) op het aangewezene te attenderen;
het zoeken van andermans tussenkomst als het kind zelf iets niet voor elkaar krijgt, door de ander bijvoorbeeld aan de hand mee te nemen;
het vasthouden van een interesse voor iets in de directe omgeving – daardoor ontstaan ook woedeaanvallen, namelijk als het kind z’n interesse niet kan bewerkstelligen;
het gebruiken van een stok om iets dat net buiten handbereik ligt naar zich toe te halen;
het ervaren van het eigen lichaam als een eenheid – bijvoorbeeld door bij het openen van een boek de beide handen op elkaar af te stemmen in plaats van met de ene hand te verhinderen wat het kind met de andere voor elkaar wil krijgen;
‘Baron von Münchhausen’-verschijnselen doordat het kind zichzelf niet in de ruimte kan verdisconteren – het probeert bijvoorbeeld met beide voeten op de grond staande een schoen uit te krijgen door aan de neus daarvan te trekken; of het probeert uit een kuil te geraken door één voet op de rand te zetten en vervolgens met beide andere handen de andere voet op te tillen!;
het ontlokken van gedrag dat het kind de ander wil laten doen – bijvoorbeeld, door bij anderen bij de deur te gaan staan ten teken dat het naar huis wil.
Al deze vermogens zijn mogelijk doordat het kind de vermogens die het in de vorige fase heeft verworven (zie Struktuur en genese, 1995), samenstelt. Vandaar het sociale in plaats van egocentrische wijzen. Vandaar het bepalen van een voorkeur voor één van twee aangeboden voorwerpen in plaats van het pakken van het eerste het beste dat het kind ziet. En vandaar ook het losse lopen in plaats van het geleide lopen: terwijl het kind in de vorige fase onder het lopen een steunpunt in de buitenwereld nodig had omdat het z’n evenwicht nog maar naar één kant kon bewaren, kan het nu los lopen omdat het z’n evenwicht naar twee kanten (vóór én achter; links én rechts) kan bewaren.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan infostichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘Meten is weten’:
Een verslag van de cyclus ‘Meten is weten’ van Studium Generale van de Universiteit Groningen. Na de voordrachten ‘Meten, en wat weet je dan?’ (dr. Muijlwijk), ‘Het definitieve wereldrecord?’ (prof.dr. Kuipers), ‘Het meten van intelligentie: drijfzand of vaste grond’ (prof.dr. Drenth) en ‘Weten zonder meten. Bestaat er wetenschap zonder meten?’ (prof.dr. Wilcox-Boulton) was er een forumdiscussie.
De recensent citeert in zijn commentaar eerst Kamerlingh Onnes: ‘Door meten tot wten, zou ik als zinspreuk boven elk physisch laboratorium willen schrijven’. En vervolgens citeert hij Casimir in diens reactie op Kamerlingh Onnes: ‘Ongetwijfeld zijn kwantitatieve metingen belangrijk en zal men nooit mogen volstaan met kwalitatieve waarnemingen. Maar voor men aan het meten kan beginnen, moet men inzicht hebben in de verschijnselen die men wil onderzoeken. Het gevaar is niet denkbeeldig dat men door de zinspreuk van Kamerlingh Onnes ertoe gebracht wordt de mogelijkheid van geheel nieuwe verschijnselen over het hoofd te zien. […] Maar hij was een veel te goed fysicus om zich door een onnozel rijmpje te laten storen’. De Jong sluit zelf af met: ‘Psychologen zullen doorgaan met het genereren van talloze hypotheses die ze voor hun geestesoog zien opdoemen uit, in theoretisch opzicht, zinledige data’.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan infostichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘De ontdekking van de kernramp bij Tsjernobyl’:
De onderzoekscyclus wordt getoetst voor de ontdekking van de kernramp bij Tsjernobyl. Die cyclus bestaat uit drie stappen. a. Men wordt verrast doordat zich iets voordoet, dat men niet begrijpt vanuit een bepaalde achtergrondgedachte; voorbeeld: Jos is eerst pijnvrij maar voelt dan kiespijn. b. Voor dat onbegrepene of verrassende werpt men een vermoeden of verklaringspoging op; in het voorbeeld: ‘Er zit een gaatje in die kies’. c. Die verklaringspoging trekt men na – Jos’ tandarts controleert de buitenkant van Jos’ pijnlijke kies op een gaatje. Na stap c past de tandarts z’n kennis toe en dicht hij het gaatje. Vroeg of laat doet zich echter een volgende ‘verrassing’ voor aan die kies; enzovoort. Vandaar dat de onderzoekscyclus inderdaad een cyclus is.
De ‘verrassing’ waarmee onze kennis over de kernramp bij Tsjernobyl (26 april 1986, 1u23 – Nederlandse tijd: 25 april 1986, 23u23) begint, vindt rond 7u00 van 28 april, dus – naar we achteraf bekeken weten – meer dan twee etmalen na de aanvang van het drama in Tsjernobyl, plaats in de kerncentrale in het Zweedse Forsmark. Een portaalmonitor geeft een signaal vanwege verhoogde radioactiviteit bij iemand die uit de centrale komt, en wel aan zijn schoenen. De eerste verklaringspoging is dat de schoenendrager in een verboden gebied is geweest. Deze gedachte kan verworpen worden omdat hij daar helemaal niet is geweest: hij is juist van buiten de centrale naar binnen gekomen zodat de verhoogde activiteit op de schoenen van buiten de centrale afkomstig moet zijn. Enzovoort. Pas na meer dan twaalf verworpen verklaringspogingen (men denkt op een gegeven moment zelfs aan een atoombomexplosie) komt men op de gedachte dat er in de Sovjet Unie iets is misgegaan. Pas rond 19u30 krijgt de Zweedse inspectie voor radioactieve stralling, Statens Kärnkraftinspection, het bericht uit de Sovject Unie ‘dat de reactor Tsjernobyl 4 in de Oekraïne was beschadigd’.
De onderzoekscyclus blijkt op te gaan voor de ontdekking vanuit Zweden van de kernramp bij Tsjernobyl in april 1986. De onderzoekscyclus verklaart bovendien waarom bepaalde sporen, die uit verklaringspogingen voortvloeiden, dode sporen zijn gebleven. Die ontdekkingsgeschiedenis versterkt de positie van de onderzoekscyclus, met name in discussies met het empirisme (volgens welke kennis uit de buitenwereld via de zintuigen zou binnenkomen, dus zonder de stappen a en b van de onderzoekscyclus), met het positivisme (volgens welke kennis niet alleen uit de buitenwereld zou binnenkomen, maar bovendien in een getalsmatige gedaante gegoten zou dienen te zijn) en met het sociaal-constructivisme (volgens welke kennis slechts een tussenmenselijke code zou zijn, zonder verwijzing naar een buitenwereld). Volgens de onderzoekscyclus is kennis echter een psychologisch (in plaats van sociaal) construct dat in de buitenwereld is verankerd (in plaats van er al dan niet in getalsmatige gedaante uit binnen te komen).

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan infostichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘Taalvoorbeelden van de onderzoekscyclus – I’:
De onderzoekscyclus is vele malen aangetoond voor natuurwetenschappelijke kennis; zie onder meer de geschiedenis van het denken over zwaartekrachtverschijnselen van Plato’s achtsferentheorie uit de Oudheid via Newtons zwaartekrachttheorie van 1687 tot Einsteins algemene relativiteitstheorie van 1915 (E. Vervaet, Strukturalistische verkenningen in kennisleer en persoonlijkheidsleer, proefschrift Universiteit van Amsterdam, 1986, p.103-124), de ontdekking van aardolie (Struktuur en genese, 1989), de uitvinding van kleurenblindheidsplaten (Struktuur en genese, 1990 en Struktuur en genese, 1991), de ontdekking van AIDS (Struktuur en genese, 1991) en de ontdekking van Amerika (zie Struktuur en genese, 1992). Toch is er behoefte gebleken aan niet-natuurwetenschappelijke voorbeelden van de onderzoekscyclus.
Maar eerst: wat is de onderzoekscyclus? Het is een theorie die beschrijvend verklaart hoe geldige, betrouwbare en toepasbare kennis tot stand komt. Dat zou volgens drie stappen gaan. a. Ot, die in een flat woont, hoort een geluid dat ie nog niet eerder heeft gehoord: ‘verrassing’. b. Z’n eerste gedachte is dat de wind met een openstaand raam speelt (‘verklaringspoging 1′); bij inspectie van z’n woning blijken alle ramen dicht te zijn: verklaringspoging 1 wordt verworpen. Omdat tijdens z’n inspectie het geluid uit de hoek van de liftkoker lijkt te komen, vraagt ie zich af of er een spleet zit in de wand daarvan (‘verklaringspoging 2’) en hij waarschuwt daarom de eigenaar van de flat. Die laat de liftkoker nakijken en er blijkt inderdaad een spleet in de wand te zitten: verklaringspoging 2 is verankerd. (Een aanvullende korte uitleg van de onderzoekscyclus staat in de eerste alinea van de vorige samenvatting.)
Vervolgens wordt aan de hand van acht taalvoorbeelden aangetoond dat de drie stappen van de onderzoekscyclus ook voor een uitgesproken niet-natuurwetenschappelijk vak als de taalkunde opgaan.
1. Terwijl er in het Nederlands samengestelde woorden zonder tussenklank zijn, zoals ‘huisdier’ en ‘melkbus’, zijn er ook met een tussenklank, zoals ‘verzorgingstehuis’ en ‘pereboom’. Dat is verrassend – stap a. We laten de woorden met een tussen-s rusten en vragen ons af waarom het ‘pereboom’ is en niet ‘peerboom’ (zoals in ‘appelboom’). Verklaringspoging 1 luidt dat de tussen-uh van ‘pere(n)boom’ een kwestie van enkelvoud/meervoud is. Deze dient verworpen te worden, want als ze zou kloppen zou het ook ‘kinderenklas’ (in plaats van ‘kinderklas’), ‘appelenboom’ (in plaats van ‘appelboom’) en ‘schepenbouw’ (in plaats van ‘scheepsbouw’) moeten zijn. Net als Ot in z’n flat moeten we dus uitzien naar een andere verklaring. Verklaringspoging 2 is dan ook: de tussen-uh in ‘pere(n)boom is een verbindingsklank om de uitspraak te versoepelen (en heeft dus niets met meervoud te maken). Daar pleiten naast ‘kinderklas’, ‘appelboom’ en ‘scheepsbouw’ ook woorden als ‘aardbeving’ (in plaats van ‘aardebeving’ – de ‘e’ van ‘aarde’ vervalt zelfs) en ‘midzomer’ (in plaats van ‘middenzomer’ – ‘den’ van ‘midden’ komt te vervallen).
2. In het Italiaans is het ‘vino’ – ‘vini’ (wijn – wijnen): het meervoud van een mannelijk zelfstandig naamwoord op ‘o’ krijgt in het meervoud een uitgang op ‘i’. Tegenover deze achtergrond is het dubbel merkwaardig dat er zelfstandige naamwoorden op ‘o’ zijn die niet alleen een meervoud op ‘a’ krijgen, maar ook vrouwelijk wordt: ‘il labbro’ (de lip) wordt ‘le labbra’ (de lippen). Hier zijn verschillende verklaringspogingen voor geopperd, maar alleen die van de Kroaat Tekavcic is verankerd, namelijk met feiten uit oorkondes en andere oude geschriften die de overgang van bepaalde vormen in het Latijn naar die in het moderne Italiaans laten zien.
De overige zes taalkundige onderwerpen staan in Struktuur en genese, 1997.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan infostichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.