Struktuur en genese, 1998 (vol.11)

Struktuur en genese, 1998 (vol.11)

Inhoudsopgave
Ewald Vervaet, Het ontstaan van het zelfgevoel – IV, p.4-48.
Ewald Vervaet, In schijn seksueel pervers, p.48-50.
Ewald Vervaet, ‘Heldere kennis’ bij Frederik van Eeden, p.50.

—————

Samenvatting van ‘Het ontstaan van het zelfgevoel – IV’:
In de ontwikkelingspsychologische fase tussen 18 en 22 maanden gaat het kind voor het eerst ‘echte woorden’ gebruiken. De zogeheten woordenschatexplosie breekt aan: vanaf nu zal het kind er de eerstkomende jaren elke dag een aantal woorden en namen bij leren. Vanaf de fase tussen 8 en 12 maanden gebruikt het klanken op kinderkamernivo en vanaf de fase tussen 12 en 15 maanden maakt het klanknabootsingen; zie Struktuur en genese, 1994 respectievelijk Struktuur en genese, 1995. Sommige van de woorden in de huidige fase hebben een betekenis die ruimer is dan in het taalgebruik van volwassenen: ‘paard’ kan behalve voor één of meer paarden ook voor ‘koe’, ‘olifant’, ‘ezel’ en zelfs ‘kip’ staan. ‘Paard’ is dan een ruimduidig woord. Ook hebben de meeste kinderen in deze fase één of een paar tweepolige woorden. Zo zegt Lex ‘Uit’, niet alleen als ie uit z’n kinderstoel wil, maar ook als ie erin wil! De reden is dat hij in beide gevallen dezelfde handelingen uitvoert, namelijk z’n armen naar iemand uitstrekken en ‘Uit’ zeggen. Tobias daarentegen zegt wel ‘In’ als ie in z’n kinderstoel wil. Hij doet dan echter wat anders dan wanneer ie eruit wil: als ie eruit wil zegt ie ook met uitgestoken armen ‘Uit’, maar als ie erin wil klautert ie, ‘In’ zeggend, alvast tegen z’n kinderstoel.
Verder ontstaan in deze fase de symbolische gebaren (zoals ja knikken, nee schudden en het op- of weggebaar maken met één of beide handen), ruimtelijke mentale beelden (zoals precies weten waar oma’s droppot staat), het uitgestelde imiteren (met een deksel doen alsof men auto aan het rijden is), symbolische voorwerpen (in het ‘auto rijden’ van het vorige voorbeeld symboliseert het deksel een stuur), het talige weergeven van wat het kind al dan niet wil (met als voornaamste voorbeelden ‘Ja’ en ‘Nee’) en ‘semiotisch opgeroepen begeerlijkheden’ (zoals zin krijgen om de speelgoedaap te zoeken op het opvangen van het woord ‘Aap’).
Het kind ervaart zich nu als iemand die in staat is tot het begrijpen en bezigen van symbolen en als iemand die een ruimtelijk zelfbeeld heeft. Op grond van het ruimtelijke zelfbeeld is het in staat zichzelf in een spiegel te herkennen. In de spiegelproef bijvoorbeeld realiseert het kind zich dat er iets bijzonders met z’n neus aan de hand is als men ongemerkt een rode stip daarop zet; in de vorige fase keek het kind nog achter de spiegel als het een paar keer daaraan voorbij was gelopen: het leek zich af te vragen waar dat ineens verschijnende en ineens verdwijnende kind bleef. Echter, terwijl het namen van anderen leert en gaat gebruiken, begrijpt het niet dat het zelf ook een naam heeft: het ervaart zich als een naamloos wezen.
Al deze vermogens zijn mogelijk omdat in deze fase de mentale beelden ontstaan: ook zonder direct waarnemings- en handelingscontact kan het kind ergens mee opereren.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan infostichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘In schijn seksueel pervers’ (bewerking van artikel in Student, februari 1997):
Bespreking van Crombag & Merckelbach, Hervonden herinneringen en andere misverstanden (1996).
Het raadsel van schijnbare herinneringen aan seksueel misbruik, dat feitelijk niet heeft plaatsgehad, wordt ontrafeld. Een belangrijke vraag daarbij is of Freudiaanse verdringing wel bestaat. Daaronder wordt verstaan: het vergeten van een gebeurtenis omdat de inhoud daarvan in emotioneel opzicht te pijnlijk zou zijn. Het blijkt dat die verdringing niet bestaat: wie zegt iets verdrongen te hebben, blijkt daarmee te bedoelen dat hij/zij ergens liever niet aan dacht en er niet of zo min mogelijk met anderen over sprak.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan infostichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ”Heldere kennis’ bij Frederik van Eeden’:
Vervaet gebruikt in zijn boek Het verschijnsel Jomanda (1997) de term ‘heldere (schijn)kennis’. Één van de aanleidingen daartoe is de term ‘heldere dromen’ bij Frederik van Eeden. In zo’n droom zou men tijdelijk aan de feitelijke wereld kunnen ontsnappen en in de Hogere Wereld verkeren, om er bijvoorbeeld overledenen te ontmoeten. In combinatie met ‘kennen’, ‘weten’ en dergelijke komt de term ‘helder’ echter ook geregeld voor in Van Eedens boek Het lied van schijn en wezen (1895, 1910, 1922), onder meer in ‘Laat het zoeklicht schijnen des heldren wetens’ (II, IX, 67v).

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan infostichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.