Struktuur en genese, 2002 (vol.15)

Struktuur en genese, 2002 (vol.15)

Inhoudsopgave
Ewald Vervaet, Van Eedens overstap van hard-ogende naar heldere kennis, p.4-15.
Ewald Vervaet, Het ontstaan van het zelfgevoel – VII, p.16-50.
Anne Ruth Mackor, Bespreking van Het persoonlijkheidsonderzoek in het strafrecht, p.51-54.

—————

Samenvatting van ‘Van Eedens overstap van hard-ogende naar heldere kennis’:
Frederik van Eeden (1860-1932) is als kind van Nederlands-hervormde ouders opgegroeid met het geloof in een persoonlijke God. Als adolescent stapte hij over op een positivistisch wereldbeeld met atheïstische componenten. Eind 1880 ging hij echter over op het geloof in een onpersoonlijke God, later door hem het Zijn genoemd. In zijn toneelstuk Het rijk der wijzen van het najaar van 1878 is die overgang goed te zien. Zowel in boeken als De kleine Johannes, Van de koele meren des Doods en De nachtbruid als in vele gedichten zijn sporen van zijn geloof in het Zijn terug te vinden. Dat geldt in het bijzonder voor het grootste deel van zijn grote gedicht Het lied van schijn en wezen. De slotdelen daarvan vallen echter in de periode van zijn terugkeer naar het geloof in een persoonlijke God, maar dan van het rooms-katholicisme. Op 18 februari van 1922 liet hij zich dopen.
Vooral Van Eedens overstap van het positivisme naar het geloof in een onpersoonlijke God is voor de psychologie en voor de kenleer van belang. In die overstap is hij namelijk een treffend voorbeeld van iemand die het ‘gans anders’ gaat doen door het na de hard-ogende kennis van het positivisme over de boeg te gooien van de heldere kennis van het geloof in een onpersoonlijke God.
In verkorte vorm is dit artikel als lezing voor het Frederik van Eeden-Genootschap gehouden op 22 november 2002: ‘Van Eedens gang van positivisme naar esoterie’.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan infostichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘Het ontstaan van het zelfgevoel – VII’:
In de ontwikkelingspsychologische fase tussen ongeveer 26 en 31 maanden ontstaat het vermogen om zichzelf en anderen een eigen individualiteit toe te dichten. Het kind ervaart zichzelf nu als een individualiteit die herinneringen heeft aan het recente verleden. Dat komt onder meer tot uiting in het aannemen van een hoedanigheid als in ‘Ik ben een olifant’ (en dan met een arm als het ware een slurf maken en met de mond getrompetter laten horen), in het gebruik van ‘lijken op’, in het aanduiden van zichzelf met ‘ik’, ‘mij’ en dergelijke (in plaats van, zoals in de vorige fase, met de voornaam; zie Struktuur en genese, 1999) en het aanduiden van de aangesproken andere met ‘jij’, ‘je’ en dergelijke, in het benoemen van elk van de twee helften van een eeneiige tweeling met de eigen naam (in plaats van, zoals in de vorige fase, met één naam voor beiden; zie Struktuur en genese, 1999), in het aanduiden van het gespreksonderwerp met ‘hij’, ‘hem’, ‘het’, ‘er’ en dergelijke, in het benoemen van en handelen met onzichtbare personen, dieren en voorwerpen (het kind doet bijvoorbeeld alsof het een onzichtbare vlieg vangt, het gebruik van ‘iemand’, ‘iets’ en ‘men’), in het voeren van een gesprekje aan de telefoon, in het niet meer dingmatige gadeslaan van de ander, in het toedichten van bezielde eigenschappen aan levenloze voorwerpen, het zogeheten animisme, zoals in Ruurds ‘Hij wil zachter’ over een cassetterecorder, en in het weergeven van recente gebeurtenissen (zonder associatieve voorzetten van anderen).
De verklaring voor de zelfervaring als een individualiteit met herinneringen aan het recente verleden en de genoemde bijzondere uitingsvormen daarvan is dat het kind vanaf ongeveer 22 maanden kan representeren. Dat wil zeggen dat het mentale beelden kan vormen over personen en zaken die het niet direct kan waarnemen en met wie of waarmee het niet direct kan handelen; zie ook Struktuur en genese, 2000.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan infostichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘Bespreking van Het persoonlijkheidsonderzoek in het strafrecht’ (eerder verschenen in Themis, 2002, vol.163, p.177-181):
De Nederlandse psycholoog E.J.P. Brand werkt in zijn proefschrift Het persoonlijkheidsonderzoek in het strafrecht (2001) de stelling uit dat de vijf gradaties van toerekeningsvatbaarheid in de forensisch-psychiatrische praktijk – niet (a), sterk verminderd (b), verminderd (c), enigszins verminderd (d) of volledig toerekeningsvatbaar (e) – geen verband houden met psychiatrische ziektebeelden, met de wilsfunctie of met de gevoelsfunctie, maar wel met het besef bij een verdachte van wat wel en niet moreel toelaatbaar is en van wat hij zijn slachtoffer heeft aangedaan. De vraag is dan: in hoeverre was de verdachte vóór en tijdens het delict in staat zich een voorstelling te maken van de aan te richten en aangerichte schade bij het slachtoffer?
Met behulp van de fasen van Piagets ontwikkelingstheorie en die van Vervaets zelfkennistheorie geeft Brand een psychologische verantwoording voor die vijf gradaties:
a. Niet toerekeningsvatbaar is hij die als gevolg van zijn onvermogen geen enkel besef heeft (gehad) van zijn immorele gedrag en van wat hij de ander heeft aangedaan.
b. Sterk verminderd toerekeningsvatbaar is hij die als gevolg van zijn nog kinderlijke en beperkte vermogens een beperkt en vertekend besef heeft van zijn immorele gedrag en van wat hij de ander heeft aangedaan.
c. Verminderd toerekeningsvatbaar is hij die als gevolg van zijn onvermogen om mee te leven met de ander de wet negeert, zolang hij zich maar slim genoeg acht om niet te worden betrapt, en geen schuld ervaart bij het overtreden van de wet en bij wat hij de ander heeft aangedaan.
d. Enigszins verminderd toerekeningsvatbaar is hij die een goed ontwikkeld vermogen tot empathie en schuldbesef heeft, maar desondanks de wet opzettelijk overtreedt vanwege een denkbeeld of ideaal dat het delict in zijn ogen rechtvaardigt.
e. Volledig toerekeningsvatbaar is hij die een goed ontwikkeld vermogen tot schuldbesef heeft en zich oprecht schuldig voelt over wat hij de ander heeft aangedaan.
Deze verantwoording wordt toegelicht voor een verdachte die naar eigen zeggen eerst per ongeluk op zijn vrouw schoot en daarna nog eens maar dan met de opzet haar te doden.
Mr.dr. A.R. Mackor bespreekt Brands theorie en praktijkvoorbeeld.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan infostichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.