Struktuur en genese, 2008 (vol.21)

Struktuur en genese, 2008 (vol.21)

Inhoudsopgave
Gyntha Goertz en Ewald Vervaet, De genese van het braillelezen, p.4-9.
Ewald Vervaet, De genese van het periodiek systeem, p.10-48.
Ewald Vervaet, Dyscalculie, p.49-50.

—————

Samenvatting van ‘De genese van het braillelezen’:
Precies zoals het leren lezen in twee fasen gebeurt, zo leert ’t blinde of slechtziende kind braillelezen in diezelfde twee fasen. In fase 13 (gemiddeld 4 jaar en 6 maanden – 6 jaar en 6 maanden) herkent het kind losse letters, spiegelt het letters zoals ‘e’ en ‘i’ of ‘r’ en ‘w’, verwisselt het binnen woorden letters en meent het een woord te herkennen op basis van enkele letters (zoals /man/ als er ‘mal’ staat). In fase 14 (6 jaar en 6 maanden – 8 jaar en 6 maanden) leert het woorden van drie of meer letters lezen zoals ‘b, a, l – bal’, ‘d, ik – dik’ en ‘soep’.
In braille zijn ‘e’, ‘i’, ‘r’ en ‘w’ (‘x’ staat voor een punt op de betreffende plaats en ‘o’ voor de afwezigheid van een punt):
xo | ox | xo | ox
ox | xo | xx | xx
oo | oo | xo | ox.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan infostichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘De genese van het periodiek systeem’:
De ontdekking van het periodiek systeem is volgens de drie stappen van de ontdekkingscyclus gegaan: … –> verrassing –> verklaringspoging –> verankering –> … Deze stappen worden geschetst voor de ontdekking van nieuwe elementen, zoals cesium (1860) en broom (1826). De begrippen ‘atoomgewicht’ en ‘equivalent’ zijn er eveneens volgens deze stappen gekomen, bij Dalton (1803) respectievelijk Wollaston (1814).
Het periodiek systeem is er ter verklaring van overeenkomsten en verschillen tussen de verschillende elementen en is in drie fasen ontdekt. De eerste fase begint bij Döbereiner (1817/1829) en betreft een relatie tussen drie elementen: het atoomgewicht van het middelste element is gelijk aan het gemiddelde van de twee andere; samen vormen ze een zogeheten triade. De tweede fase begint bij Pettenkofer (1850) en betreft parallellen tussen triades en viertallen elementen. De derde fase begint bij Beguyer de Chancourtois (1860) doordat deze de elementen naar hun atoomgewichten ordent en dan ziet dat bepaalde scheikundige en natuurkundige eigenschappen om de zoveel elementen terugkeren. Hij brengt echter ook elementen met elkaar in verband, waar scheikundig en natuurkundig nauwelijks of geen verband tussen bestaat, en sluit ionen en diamant in in zijn systeem. Pas bij Meyer (1869) en Mendeleev (1869) kloppen de scheikundige en natuurkundige eigenschappen én worden houdbare atoomgewichten gebruikt.
Pas sedert 1858/1860 kunnen scheikundigen houdbare atoomgewichten gebruiken omdat ze dan pas de theorie van Avogadro (1811) integraal voor geldig kunnen houden. Voordien bestonden er theoretische bezwaren tegen omdat men zich niet kon voorstellen dat een zuurstofmolecule uit twee zuurstofatomen zou bestaan, een chloormolecule uit twee chlooratomen, enzovoort. Ook waren er voor elementen als zwavel, fosfor en kwik afwijkende dampdichtheden en dus ook onhoudbare atoomgewichten gevonden.
De theoretische bezwaren verdwenen nadat men had vastgesteld dat waterstof uit bepaalde verbindingen verdreven kon worden door chloor. Verder konden Favre en Silbermann (1846) verrassende resultaten van verbrandingsprocessen alleen verklaren als ze aannamen dat zuurstof inderdaad O2 zou zijn en niet O. Reacties die gewoonlijk niet tot stand kwamen, maar onder bepaalde omstandigheden opvallend gemakkelijk verliepen, pleiten voor ‘waterstof in statu nascendi’, ‘zuurstof in statu nascendi’ en dergelijke aan de ene kant en H2, O2 en dergelijke aan de andere kant. Ten slotte, vanaf 1857 kon men bepaalde reacties (bijvoorbeeld roestvorming) alleen verklaren door aan te nemen dat bepaalde moleculen boven een bepaalde temperatuur in atomen waren vervallen zodat er in het geval van KOH bijvoorbeeld sprake geweest moest zijn van vrij O (dit in tegenstelling tot het gebruikelijke O2).
Deze en andere overwegingen brengen er Cannizzaro in 1858 toe om Avogadro’s theorie van 1811 voor algemeen geldig te verklaren (in plaats van ze te verwerpen of er uitzonderingen op toe te laten). In de nawerking van het eerste internationale scheikundecongres in 1860 (Karlsruhe) wordt Cannizzaro’s theorie spoedig vrij algemeen aanvaard door de scheikundegemeenschap van die tijd, in het bijzonder door Meyer en Mendeleev. Dankzij Cannizzaro’s theorie ontdekken zij onafhankelijk van elkaar het periodiek systeem in 1869.
In 1871 doet Mendeleev uitgebreid voorspellingen over nog te ontdekken elementen en hun eigenschappen. De drie eerste worden gevonden in 1875 (gallium), 1878 (scandium) en 1886 (germanium). Ze hebben de aanvaarding van Mendeleevs periodieke systeem zeer bevorderd.
De ontdekking van het periodiek systeem pleit tegen het falsificationisme van Popper omdat het het wedervaren van Avogadro’s theorie niet beschrijft. Die theorie is een verklaringspoging, namelijk voor enkele verrassende waarnemingen van Gay-Lussac (1809). Haar aanvankelijke verwerping op rationele gronden is in overeenstemming met Poppers kentheorie. Deze voorspelt echter ‘eens verworpen, altijd verworpen’. Haar latere aanvaarding, eveneens op rationele gronden, pleit daarom tegen Poppers kentheorie. De onderzoekscyclus kan de gang van zaken rond Avogadro’s verklaringspoging wel beschrijven: de feiten die aanvankelijk tegen haar pleiten zijn verrassingen van de tweede orde die verklaard worden met ‘tweeatomige moleculen’, ‘element in status nascendi’ enzovoort.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan infostichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————

Samenvatting van ‘Dyscalculie’:
In deze bespreking Desoetes en Braams’ boek Kinderen met dyscalculie gaat de schrijver in op overeenkomsten en verschillen tussen dyslexie en dyscalculie: ‘Precies zoals er dyslectici zijn die ‘t’ en ‘f’ om de horizontale as spiegelen, zo zijn er dyscalculen die dat met ‘6’ en ‘9’ doen. Precies zoals er dyslectici zijn die ‘b’ en ‘d’ om de verticale as spiegelen, zo zijn er dyscalculen die dat met ‘2’ en ‘5’ op ’n digitale klok doen. Precies zoals er dyslectici zijn die ‘brood’ als /boord/ lezen of als ‘boord’ schrijven, zo zijn er dyscalculen die ‘35’ als /drieënvijftig/ lezen of als ‘53’ noteren. En precies zoals er dyslectici zijn die de klanken ‘f’ en ‘v’ of ‘s’ en ‘z’ niet of onvoldoende van elkaar onderscheiden, zo zijn er dyscalculen die dat met ‘drie’ en ‘vier’ of met ‘zeven’ en ‘negen’ doen.

Wilt u meer informatie over dit artikel? Schrijft u dan aan infostichtinghistos.nl.

Om terug te gaan naar de inhoudsopgave van alle afleveringen van Struktuur en genese klikt u hier.

—————————————————————————————

Laatste bewerking van deze webpagina: 10 mei 2010.