Inhoud

Samenvatting van de inhoud van
Naar school; psychologie van 3 tot 8
(Amsterdam, Ambo, 2007-2009; vierde druk: Utrecht, Kosmos, 2010; vijfde druk: Delft, Elmar, 2012)

Voorwoord
Mevrouw prof.dr. Sieneke Goorhuis-Brouwer spreekt in haar voorwoord haar waardering onder meer als volgt uit:
‘De eerste bladzijden van Naar School overrompelden mij. Wat een veelheid aan informatie! Een aantal kinderen wordt minutieus in de ontwikkeling gevolgd, waarbij de denkprocessen nauwkeurig worden geanalyseerd’ en
‘Ewald Vervaet toont de lezer een instructieve kijk in het hoofd van het jonge kind. De lezer dwaalt mee in diens gedachtewereld, beleeft hoe de denkprocessen zich formeren en transformeren, en ontdekt zo ook de grenzen van het kinderlijke bevattingsvermogen. Als studieboek voor leerkrachten van groep 1 en 2 zou Naar school dan ook niet misstaan’.
Zie verder het inkijkexemplaar.

Inleiding
Naar school bevat onderzoeksresultaten die voor het grootste deel nieuw zijn. In theoretisch opzicht slaat het boek een brug tussen twee periodes in de ontwikkelingspsychologie, waar een kloof tussen zit. Die kloof zit traditioneel tussen de periode tot anderhalf à twee jaar (of sedert Vervaets boek Groeienderwijs: drie jaar) en de periode na vierenhalf à vijf jaar.
Naar school telt vier fasen. Doortellend op de tien fasen van Groeienderwijs komen we zo tot de fasen 11-14.
Leeftijdaanduidingen voor fasegrenzen zijn als ruwe richtingwijzers te verstaan. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat een kind tijdbesef heeft op het nivo van fase 11, schrijfvermogen heeft op het nivo van fase 12 en zinnen vormt op het nivo van fase 13. Daar gaat het in de ontwikkelingspsychologie echter niet om, maar wel om de volgorde van de verschillende fasen.

Hoofdstuk 1. Concreet redeneren en speels verzinnen
In fase 11 (3 jaar – 3 jaar en 9 maanden) beschikt het kind over concrete verbanden waarmee het van de ene bijzondere uitspraak naar de andere bijzondere uitspraak redeneert. Bijvoorbeeld, in het bekijken van een prentenboek over vogels vraagt het zich bij elke volgende vogel af of die ook eieren legt. Dit heet transduceren.
Bij het nakleuren van een grijze geit, kleurt het de geit niet alleen met grijs maar ook met andere kleuren in. Toch oordeelt het dat de grijze geit van het voorbeeld en de meerkleurige geit van de kleurplaat ‘hetzelfde’ zijn.
Het mijngevoel komt tot stand en het kind rekent ‘mijn mama’ en ‘mijn papa’ ook tot zijn bezit.
In het zelfportret is er geen duidelijk lichaamsplan te onderkennen en elke streep of stip kan voor elk lichaamsdeel staan.
Het kind stelt vragenreeksen als ‘Waarom rijden we niet verder?’ – antwoord ‘Er staan allemaal auto’s – ‘Waarom staan die auto’s daar’ – antwoord ‘Omdat ’t regent’ – ‘Waarom regent ‘t?’ – enzovoort.

Hoofdstuk 2. Generaliserende koppoter met één werkelijkheid
In fase 12 (3 jaar en 9 maanden – 4 jaar en 6 maanden) generaliseert het kind van ‘die vogel legt eieren’, ‘die vogel legt eieren’, … naar ‘alle vogels leggen eieren’. Dat komt omdat het de afzonderlijke gedachtes achter ‘die vogel legt eieren’ met elkaar combineert.
Het kleurt een grijze geit nu geheel grijs na en acht alleen zo’n resultaat ‘hetzelfde’ als het voorbeeld.
Het zelfportret getuigt van een duidelijk lichaamsplan, maar één kring fungeert zowel voor hoofd als voor romp – het kind tekent zich als koppoter.
Het kind verkeert in de poep-en-pies-fase: chocolavla zou poep zijn en papa zou pies uit een bierglas drinken… En als in mama’s afwezigheid een poppetje is verplaatst van verstopplaats A naar verstopplaats B, zou zij na terugkomst ook weten dat het poppetje niet meer op plaats A zit maar op plaats B.

Hoofdstuk 3. Met één been in de werkelijkheid
In fase 13 (4 jaar en 6 maanden – 6 jaar en 6 maanden) meent het kind in de verstopproef van hoofdstuk 2 dat mama na terugkomst het poppetje op verstopplaats A gaat zoeken.
Stel, er staan 2 identieke lange, smalle glazen vóór het kind. Het ene glas bevat groene en het andere rode limonade. Als men de groene limonade overgiet in een kort, breed glas, menen de meeste kinderen (kleuters) dat er in dat derde glas minder groene limonade is dan rode in het lange, smalle glas.
Een kind dat tot 20 kan tellen, kan niet van 20 naar 1 terugtellen. Ook heeft het geen idee hoe het erachter kan komen welk getal er na ’20, 19, 18′ komt.
In het zelfportret worden hoofd en romp van elkaar onderscheiden, maar sommige lichaamsdelen worden te groot getekend en andere te klein of zelfs helemaal niet. Met zo’n vertekend zelfportret brengt het kind iets van zijn persoonlijkheid tot uitdrukking. Een kind met te grote armen knipt, plakt en tekent graag. Een kind met te grote benen daarentegen fietst, rent en klimt graag.

Hoofdstuk 4. Het jonge schoolkind
In fase 14 (6 jaar en 6 maanden – 8 jaar en 6 maanden) meent het kind in de limonadeproef van hoofdstuk 3, dat er na overgieten nog steeds evenveel groene als rode limonade is. Het argumenteert bijvoorbeeld ‘In dat glas staat de limonade wel hoger, maar dat (doorsnee) is minder’: hoogte en doorsnee compenseren elkaar.
Het kind kan nu volgens de regels boter-kaas-en-eieren spelen, maar realiseert zich niet dat het de eerste zet het beste in het midden kan doen.
Het kind gaat op allerlei zaken doordenken. Het vraagt zich bijvoorbeeld af of Sinterklaas wel bestaan omdat Zwarte Piet, die geacht wordt kadootjes via een smalle kachelpijp te brengen, net zo min door die pijp kan als papa.
Het kind kan terugtellen van 20 naar 1 doordat het kan uitvinden wat er na ’20, 19, 18′ moet komen: het telt weer vooruit van 1 naar 18 en let goed op wat er vóór 18 komt, namelijk 17. Het leert sommetjes maken als 7+8=15 en 13-4=9.

Hoofdstuk 5. Ontwikkelingsdyslexie
In fase 13 schrijft het kind spiegelbeeldig. Anke schrijft haar naam bijvoorbeeld als AИKE. Ook verwisselt ze letters. Zo schrijft Angela de naam van haar zusje Noa als ONA.
Anderzijds leest het kind in fase 13 losletterig. Terwijl Anke weet welke letters er in OMA staan, stelt ze die toch niet samen tot de uitspraak /oomaa/. Een uitvloeisel hiervan is dat Rutger, die zijn naam als RUTGER schrijft, ook RUG als /rutger/ leest.
Pas in fase 14 schrijft Anke ANKE en Angela NOA en leest Rutger RUG als /rug/.
In dyslexie komen dezelfde verschijnselen blijvend voor, die zich bij elk kind in fase 13 tijdelijk voordoen: er staat ‘kust’, maar de dyslectische Jan van 15 jaar leest /kast/ – losletterig lezen. En terwijl Evelien ‘bar’ wil schrijven, schrijft ze ‘dra’ en leest ze dat als /bar/ – spiegelbeeldig schrijven.
Ewald Vervaet oppert daarom het vermoeden dat sommige vormen van dyslexie verklaard worden door fase 13. Hij koppelt daaraan een tweede vermoeden, namelijk dat het tegenwoordige basisonderwijs kinderen te vroeg met het geschreven woord in aanraking brengt, namelijk al in groep 2 of zelfs groep 1. Ontwikkelingspsychologisch is dat te vroeg: het eigenlijke schrijven en lezen zijn pas mogelijk in fase 14, dus gemiddeld pas vanaf 6 jaar en 6 maanden.

Hoofdstuk 6. Piaget en de ontwikkelingspsychologie
De fasen 13 en 14 zijn uitvoerig onderzocht door de Zwitserse psycholoog Piaget (1896-1980). Op zijn werk is veel kritiek gekomen. Die kritiek houdt er echter geen rekening mee dat Piagets proeven en theorie over spontane ontdekkingsprocessen gaan. Verder verwijt men hem ten onrechte dat hij geen puntsschalen, correlatiecoëfficiënten en regressieanalyses heeft gebruikt.
Piagets werk behoort tot de familie van de fasentheorieën, maar kritici hangen doorgaans een accumulatietheorie aan. Volgens een accumulatietheorie zou kennis slechts kwantitatief toenemen en zou er geen sprake zijn van kwalitatief verschillende fasen.

Hoofdstuk 7. De circuittheorie, uitgebreid
In hoofdstuk 12 van Groeienderwijs is de circuittheorie ingeleid. Klikt u hier voor een samenvatting. In fase 1 (- 1 maand) staan de motorische reflexen en de zintuiglijke reacties los van elkaar, maar in fase 2 (1 – 4 maanden) vormen ze met elkaar een systeem. De spieren rond de oogbollen en de reacties van de netvliescellen achter in de ogen bijvoorbeeld vormen het primaire circuit ‘staren naar’.
In fase 3 (4 – 8 maanden) ontstaat een eenzijdig secundair circuit als ‘grijpen naar het geziene’. Daarin reageert het kind met een hand op wat het ziet met de ogen. In fase 4 (8 – 12 maanden) grijpt het kind twee keer naar iets wanneer het een scherm verwijdert om een speeltje dat het daarachter heeft zien verdwijnen, te pakken. Dan spreken we van een tweezijdig secundair circuit. Enzovoort tot de tweezijdige kwinaire circuits van fase 10 (31 – 36 maanden) die de neurologische basis vormen achter toekomstbesef en achter samengestelde zinnen als ‘ome Frits zegt dat jij mag komen’.
De lijn van fase 1 naar fase 10 kan doorgetrokken worden naar de fasen 11-14.
In fase 11 ontstaan circuits van de zesde orde, de zogeheten eenzijdige sextaire circuits. Zij verklaren de vermogens van die fase, zoals het transduceren en het mijngevoel.
In fase 12 ontstaan de tweezijdige sextaire circuits. Zij verklaren de vermogens van die fase, zoals het generaliseren en de poep-en-pies-fase.
In fase 13 ontstaan circuits van de zevende orde, de zogeheten eenzijdige septaire circuits. Zij verklaren de vermogens van die fase, zoals het wel tellen maar niet terugtellen en het vertekende zelfportret.
In fase 14 ontstaan de tweezijdige septaire circuits. Zij verklaren de vermogens van die fase, zoals het terugtellen en het optellen en aftrekken.

Hoofdstuk 8. Neuronale netwerken
Aan de hoofdstukken 1-7 wordt een neuronale verdieping gegeven. Er worden antwoorden gegeven op vragen als:
Waarom maken niet alle kinderen in dezelfde maand de overgang op een bepaald ontwikkelingsdomein?
Kunnen kinderen fasen overslaan of zijn fase-overgangen te vervroegen?
Wat is de neurologische basis onder dyslexie?
In hoeverre is dyslexie erfelijk bepaald?

Er worden geregeld cursussen, lezingen en dergelijke gehouden over Naar school. Ga voor meer informatie daarover naar de agenda van Stichting Histos. Klik hier.