gedachtewisseling 15_rekers’ reactie op vervaets schrijvens van 29 juni en 2 juli

Correspondentie met Ester Rekers, onderwijsadviseur

Op 2 juli reageert Rekers op Vervaets schrijvens van 29 juni en 2 juli. Ze kaart veel nieuwe onderwerpen en gezichtspunten aan maar gaat niet in op Vervaets drie punten van 29 juni.

Op 29 juni weet Vervaet niet dat Rekers op haar werk een eigen e-adres heeft. Vandaar dat hij haar dan op haar werk-e-adres aanschrijft. Op 2 juli komt hij erachter dat ze een eigen webpagina en eigen e-adres heeft.

= = = = = 

Geachte meneer Vervaet,

 
Bedankt voor uw mail.
Aangezien ik officieel al vakantie heb en deze mail mij niet eerder heeft bereikt (die mail waarnaar u verwijst is niet aan dit mailadres verstuurd), houd ik het op een korte reactie.
 
Ten eerste wil ik daarom graag verwijzen naar een artikel van de Kennisrotonde, naar aanleiding van een vraag vanuit het werkveld. Deze reactie sluit aan bij het gedachtegoed/de onderbouwing en de kritieken waar ik naar verwijs in mijn reactie. Dit artikel is mijns inziens een mooie uiteenzetting en zal ik daarom niet verder toelichten. Zie daarvoor: https://www.kennisrotonde.nl/vraag-en-antwoord/is-het-waar-dat-de-leerkracht-het-beste-met-leren-lezen-kan-beginnen-als-de-leerling-leesrijp-is 
 
Ten tweede reageer ik als ik verwijs naar het onderzoek dat wordt aangehaald naar de zin ‘Een opvallend Amerikaans rapport uit 2025 behandelt de vraag of het wel zinvol is om kinderen steeds vroeger leesonderwijs te geven. Onderzoekers concludeerden dat er geen overtuigend bewijs bestaat dat kinderen die op vijfjarige leeftijd leren lezen, later betere lezers worden dan kinderen die dat op hun zesde of zevende doen.’ Helaas ontbreekt er een bronverwijzing waardoor niet op te maken is om welk rapport het hier gaat. Bij een zoektocht naar bronnen met deze omschrijving en conclusie kom ik uit op het rapport ‘Reading instruction in kindergarten: Little to gain much to lose’ uitgebracht door de organisatie ‘Defending the Early Years’. Is dat inderdaad de bron die hiervoor is gebruikt? Zo nee, dan ben ik benieuwd naar welk rapport wel wordt verwezen. Deze publicatie is in ieder geval geschreven door een organisatie met een duidelijke en vooral specifieke visie op het jonge kind waarbij in dit rapport vooral bevestiging gezocht lijkt te worden voor de standpunten die zij al hebben (en bijvoorbeeld beschrijven op hun website). Dat maakt dat ik twijfels heb over de onafhankelijkheid en dus de betrouwbaarheid van dit rapport.
 
Wanneer ik verder zoek naar andere bronnen die schrijven over dezelfde Amerikaanse context en ontwikkelingen, vind ik bijvoorbeeld ook het rapport “Is Kindergarten the New First Grade?” van the University of Virginia. Zij beschrijven ook dat er steeds meer nadruk ligt op het schoolse leren en wat de negatieve effecten hiervan kunnen zijn, maar laten een veel genuanceerder beeld zien waarin ook de andere kant wordt beschreven en andere relevante bronnen een rol spelen. Zo is bijvoorbeeld te lezen:
   “It is not yet clear how much the large changes documented in this study have impacted children’s development. Existing evidence is conflicting, with some studies suggesting that a heightened focus on academic instruction will improve children’s learning trajectories and narrow achievement gaps, and others suggesting that a focus on early academic content is unnecessary and potentially harmful.” Waarna een uiteenzetting volgt van de verschillende bronnen waarop deze uitspraak is gebaseerd. Deze uitspraak en uiteenzetting gecombineerd met de empirische onderbouwing zoals deze ook beschreven staat in het artikel van de Kennisrotonde schetsen dus een ander beeld.
 
Daarnaast wordt in dit rapport ook het punt aangehaald (zie hieronder) dat ik benadruk in mijn reactie, namelijk dat er een schijnbare tegenstelling lijkt te zijn tussen spelen en leren terwijl dit in de praktijk niet zo hoeft te zijn. Dat er in het door jullie geschreven opiniestuk aandacht gevraagd wordt voor een meer spelgerichte aanpak kan ik volgen maar ik mis daarin de nuance dat spelen en leren elkaar niet uit hoeven te sluiten.
   “It is important to point out, as do the researchers embedded in these debates, that engaging literacy and math instruction need not be at odds with “play” and other types of pedagogical approaches considered developmentally appropriate in early childhood (Bassok, Claessens, & Engel, 2014; Clements & Sarama, 2014; Pondiscio, 2015). Indeed, the definition of developmentally appropriate instruction has evolved over time. Increasingly, developmental scientists agree that there are ways to meaningfully engage young children in literacy and math learning and that the effectiveness of such efforts depends on the pedagogical approach, the quality of teaching, and the connection of the instruction to young children’s curiosity (Katz, 2015; Snow & Pizzolongo, 2014).”
 
We zouden natuurlijk een discussie kunnen voeren of waar ik voor pleit (het inrichten van een taalrijke en betekenisvolle leer/speelomgeving waarin ook aandacht is voor instructie en begeleiding in fonemisch bewustzijn, letterkennis en klank-tekenkoppelingen in de groepen 1/2) niet hetzelfde is als het leren lezen dat u aanhaalt in uw opiniestuk. Toch denk ik dat we dan het doel van dit gesprek voorbij schieten. Naar mijn idee zijn er meer dan voldoende aanwijzingen voor het belang van een goede voorbereiding op het latere leren lezen zoals hierboven beschreven en vinden deze onvoldoende een weg in het artikel. Vooral wanneer de conclusie luidt:  ‘wetenschappelijk gezien blijken meer vroegtijdige interventies niet tot betere leerprestaties te leiden’. Deze conclusie vind ik te kort door de bocht waardoor mijn inziens de lezer op het verkeerde been wordt gebracht. Vandaaruit volgt ook mijn opmerking over het volgen van onderbuikgevoelens en pseudowetenschap.
 
Overigens deel ik de doorgeslagen nadruk op toetsing en pleit ik voor een bredere aanpak waarvan we vooral de ontwikkeling van kinderen goed in kaart brengen en volgen en het aanbod in de klas daarop waar nodig afstemmen. Dat neemt niet weg dat er wel terechte zorgen zijn over de (bredere) leesvaardigheden van kinderen en deze om een passende, onderbouwde aanpak vragen. 
 
Ik sta ervoor open om uw voorstel (Ik stel u voor om de getalsgerichte en de verschijnselgericht vormen van wetenschapsbeoefening niet bij voorbaat tegen

elkaar weg te strepen, maar tegen elkaar af te wegen en uw oordeel over pseudowetenschap opnieuw te bekijken.) te onderzoeken. Tegelijkertijd wil ik ervoor waken dat de lezers (veelal leerkrachten) een eenzijdig beeld krijgen van deze kwestie bij het lezen van het artikel. Mede dat heeft mij gedreven om een reactie te schrijven hierop.

Als laatste wil ik u er graag op wijzen dat mijn reactie op het social media platform Facebook uit persoonlijke titel is geschreven en ik op geen enkele manier een verwijzing heb gemaakt naar mijzelf als professional of de organisatie waarbij ik werkzaam ben. Mijn huidige werk is zelfs geen onderdeel van mijn profiel op Facebook. Ik kan het dan ook niet waarderen en vind het kwalijk dat u via mijn werkgever (ik zie dat u ook gemaild heeft naar een algemeen mailadres van de IJsselgroep) contact met mij zoekt. Een bericht op Facebook had ook volstaan. 

Met vriendelijke groet,

Ester Rekers
Onderwijsadviseur

—————————————————————————————

Laatste bewerking van deze webpagina: 7 juli 2026