gedachtewisseling 16_staatssecretaris_vervaets reactie van 27 juli op staatssecretaris’ schrijven van 23 juli

Correspondentie met de staatssecretaris OCW

Op 27 juli reageert Vervaet op het schrijven van de staatssecretaris van 23 juli. Omdat zij niet in is gegaan op de kern van zijn kritiek op de doorstroomtoets, zet hij die nogmaals uiteen: de puntentoekenning in de doorstroomtoets heeft geen psychologische basis. Hij nodigt haar uit om daarop in te gaan.

= = = = =

Amsterdam, 27 juli 2026,

Geachte mevrouw Tielen,

Dank voor uw reactie. Helaas gaat u niet in op de kern van mijn artikel in de Leeuwarder Courant, namelijk dat de puntentoekenning in de doorstroomtoets geen psychologische basis heeft. Hij levert dan ook louter rekenkundige feiten op, die in psychologisch opzicht echter non-feiten zijn. 
      Onder meer in de psychometrie heerst de replicatiecrisis. Vandaar dat de doorstroomtoets niet te vertrouwen is, zelfs als hij in psychologisch opzicht betekenisvolle feiten op zou leveren (wat dus niet zo is!).
      Daarom:

* U schrijft driemaal dat de doorstroomtoets als een belangrijk, aanvullend instrument wordt gezien. Kunt u echter (zelf of door anderen laten) aantonen dat hij terecht wordt gezien als een instrument dat het kind objectief zichtbaar maakt en dat hij het kind niet – dus in tegenspraak met wat ik beweer en aantoon – slechts rekenkundig objectief als afwijking van een gemiddelde laat zien, maar wel degelijk zoals het in psychologisch opzicht is?[1]

* U schrijft dat velen betrokken zijn bij de ontwikkeling van de psychometrische tests in het onderwijs. Wilt u hen verzoeken aan te tonen dat de puntentoekenning van de doorstroomtoets wel degelijk een psychologische basis heeft en dus wél psychologische feiten kan opleveren?

Ik zie, in het belang van het oplossen van de onderwijs- en leescrises, uw bijval met dan wel weerlegging van mijn stelling ‘De puntentoekenningen in de doorstroomtoets heeft geen psychologische basis’ graag tegemoet. Bedankt daarvoor alvast!

Met vriendelijke groeten,

dr. E. Vervaet

P.S.1. Op 22 juli heb ik de pers mijn reactie toegestuurd op M. Coveney, Teacher’s pet toegestuurd. Zie de bijlage.
P.S.2. Deze brief is een verkorte versie van mijn eigenlijke brief, die in de bijlage staat.

cc: minister OCW, Kamerwoordvoerders onderwijs, Leeuwarder Courant, Brabants Dagblad, BN / de Stem, Leve het onderwijs!, wij-leren.nl, WSK, BK, VOIO

= = = = =

BIJLAGE  Uitvoerige versie van de brief

Amsterdam, 27 juli 2026,

Geachte mevrouw Tielen,

Dank voor uw reactie. Helaas gaat u niet in op de kern van mijn artikel in de Leeuwarder Courant[2], namelijk dat de puntentoekenningen in psychometrische toetsen (voortaan en juister: ‘tests’), zoals de doorstroomtoets, geen psychologische basis hebben. Dat soort tests levert dan ook louter rekenkundige feiten op en kán geen psychologische feiten opleveren. In psychologisch opzicht zijn het dan ook non-feiten.[3] 
      Vervolgens is er de replicatiecrisis in de mens-, maatschappij- en beleidswetenschappen voorzover die met schalen, vragenlijsten, inferentiële statistiek en dergelijke werken. Zelfs als psychometrische tests als de doorstroomtoets in psychologisch opzicht betekenisvolle in plaats van lege feiten op zouden leveren (quod non!), dan nog zouden ze vanwege non-repliceerbaarheid niet te vertrouwen zijn.
      Daarom:

* U schrijft: ‘De doorstroomtoets […] wordt gezien als een belangrijk, aanvullend instrument’, ‘De doorstroomtoets […] wordt gezien als een betrouwbaar tweede gegeven’ en ‘Daarom zien wij de uitkomst van doorstroomtoets als belangrijke, aanvullende en onafhankelijke informatie’. Kunt u echter (zelf of door anderen laten) aantonen dat hij – anders dan ik beweer en aantoon – niet slechts zo wordt gezíén, ook daadwerkelijk ís? Dus dat hij wel degelijk psychologische in plaats van louter rekenkundige feiten oplevert?s?[1]

* U schrijft: ‘Bij de ontwikkeling van de toetsen zijn pedagogisch deskundigen, onderwijsspecialisten en toetsdeskundigen betrokken en verschillende adviserende en controlerende instanties’. Wilt u (sommigen van) hen verzoeken aan te tonen dat de puntentoekenningen van psychometrische tests wel degelijk – anders dan ik beweer en aantoon – een psychologische basis hebben en dus wél psychologische feiten kunnen opleveren?

U schrijft: ‘Ik hoop dat ik u hiermee voldoende heb kunnen uitleggen waarom het ministerie het belangrijk vindt dat de doorstroomtoets behouden blijft’. Ik hoop dat u na het bovenstaande zult begrijpen dat u door niet op de kern in te gaan geen begin met een uitleg van dat belang heeft gemaakt, laat staan dat u dat voldoende heeft gedaan.
      Ik kan en zal uw uitleg pas voldoende vinden als u – of iemand namens u – heeft uitgelegd dat en waarom de puntentoekenning van een psychometrische test als de doorstroomtoets een psychologische basis heeft en dus wel degelijk – anders dan ik beweer en aantoon – psychologische feiten oplevert, waar we bij het nemen van praktische besluiten, zoals het geven van een advies voor een vervolgopleiding, terecht waarde aan kunnen hechten.

U schrijft dat ik ‘ervoor pleit om de doorstroomtoets af te schaffen’. Ik schreef echter dat ‘ik hoop dat u in de richting van nul doorstroomtoetsen zult bewegen’. U zult begrijpen dat het krantenartikel geen ruimte bood voor een toelichting. Daarom geef ik u die graag nu. Ik pleit namelijk voor twee zaken:

* om het gebruik in het onderwijs van psychometrische tests af te bouwen;
* om alternatieven met een psychologisch-feitelijke grondslag ruimte te geven, zoals het project ‘Ontwikkelingvolgend en Voorwaardenscheppend Onderwijs’ (OVO). Het ministerie van OCW en de Werk- en Steungroep Kleuteronderwijs (WSK) hebben daar drie positieve gesprekken over gevoerd. Daar kan dus bij aangesloten worden.

Ik zie, in het belang van het oplossen van de onderwijs- en leescrises, uw bijval met dan wel weerlegging van mijn stelling ‘De puntentoekenningen in psychometrische tests, zoals de doorstroomtoets, hebben geen psychologische basis’ graag tegemoet. Bedankt daarvoor alvast!

Met vriendelijke groeten,

dr. E. Vervaet

P.S. Op 22 juli heb ik de pers mijn reactie toegestuurd op M. Coveney, Teacher’s pet toegestuurd. Zie de bijlage.
cc: minister OCW, Kamerwoordvoerders onderwijs, Leeuwarder Courant, Brabants Dagblad, BN / de Stem, Leve het onderwijs!, wij-leren.nl, WSK, BK, VOIO

[1] Beeldend gesteld aan de hand van de breking van het licht: 
                               

   Kijker: ‘Het rietje wordt gezien als iets dat gebroken is’. Vraag aan diegene: ‘Kunt u aantonen dat het niet slechts gebroken wordt gezíén, ook daadwerkelijk gebroken ís?’.
   Volgens mij is er op die vraag maar één steekhoudend antwoord mogelijk: het rietje ís recht maar wordt gebroken gezíén. Precies zo wordt het kind in een psychometrische test zoals de doorstroomtoets slechts rekenkundig objectief gezíén, namelijk als een afwijking van een populatiegemiddelde, maar maakt het in psychologisch opzicht een ontwikkeling door, die door een psychometrische test niet zichtbaar wordt gemaakt of zelfs maar kán worden gemaakt. Kortom, zoals het water het rietje vertekent, zo vertekent de doorstroomtoets het kind.

[2] Of hier. Zie ook Brabants Dagblad en BN / de Stem (of hier). 

[3] In hoofdstuk 3 van mijn boek De leescrisis, in 45 jaar ontstaan, kan in 4 jaar weer gaan toon ik uitvoerig aan dat psychometrische tests inderdaad geen psychologische basis hebben en in psychologisch opzicht non-feiten opleveren. Hoofdstuk 5 laat zien dat het onderwijsbeleid sedert 1994 in toenemende mate psychometrisch en inferentieel-statistisch van aard is – de laatste tijd onder de naam ‘evidence based/informed’, wat neer komt op dat er geen psychologisch bewijs is en slechts een statistische significantie in het spel is – wat één van de twee verklarende factoren voor de onderwijs- en leescrises is. (De andere verklarende factor is dat de psychologische ontwikkeling volgens ‘… → oudere peuter → kleuter → jong schoolkind → …’ wordt ontkend, vanaf de aanname van de Wet op het basisonderwijs in 1981 – vandaar ‘in 45 jaar ontstaan’ in de titel van mijn boek.)
   Prof.dr. F. Cornelissen, hoogleraar Innovatie in het Onderwijs aan de Universiteit van Amsterdam: ‘In De leescrisis legt Ewald Vervaet een scherpe en urgente vraag op tafel: wat gebeurt er als beleid, toetsen en methodes het zicht op de ontwikkeling van kinderen gaan verdringen?’.
   Jacques Vriens, oud-basisschoolleerkracht, oud-schooldirecteur en kinderboekenschrijver: ‘[Theo Thijssen] zou zich ongetwijfeld herkend hebben in “De Leescrisis”, zoals ik dat ook doe. Door de hedendaagse toets- en testcultuur dreigen kinderen te verworden tot “objecten” die worden afgerekend op hun resultaten’.

—————————————————————————————

Laatste bewerking van deze webpagina: 1 september 2026